SBBM: Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant. Zienswijze ontwerp provinciaal inpassingsplan, MER Logistiek Park Moerdijk en ontwerp exploitatieplan Logistiek Park Moerdijk

Zevenbergen, 17 juli 2014

Geacht college,
Om het ontwikkelen en realiseren van het Logistiek Park Moerdijk (LPM) mogelijk te maken is door de provincie een ontwerp inpassingsplan, een MER alsmede een ontwerp exploitatieplan voor Logistiek Park Moerdijk opgesteld. Deze documenten liggen ter inzage. In de periode 12 juni tot en met 23 juli 2014 kan hierop gereageerd worden. De Stichting Behoud Buitengebied Moerdijk (SBBM) dient een zienswijze in die meerdere aspecten bevat en hieronder wordt gemotiveerd.
Onze opmerkingen hebben betrekking op de volgende aspecten:
1. Nut en noodzaak
2. Beleid zuinig ruimte gebruik
3. Leefbaarheid
4. Financiële haalbaarheid.
5. Looptijd van het inpassingsplan
6. Locatiekeuze voor het LPM

1. Nut en noodzaak

In de toelichting van het inpassingsplan wordt onder de kop 1.3 Achtergrond en context Logistiek Park Moerdijk opgemerkt dat uit het rapport “Perspectief economische ruimtebehoefte West-Brabant, Onderzoek naar vraag en aanbod, DHV juni 2006” naar voren kwam dat de ruimtevraag naar logistiek terrein op het bestaande industrieterrein Moerdijk niet voldoende kon worden geaccommodeerd. Deze stellingname is de basis voor de ontwikkeling van het plan voor het Logistiek Park Moerdijk (LPM).
Bij het onderdeel 2.3 Nut en noodzaak wordt enkel en alleen ingegaan op de marktvraag naar logistieke terreinen. De locatie en de omvang van het LPM is daarbij een uitgangspunt. De stellingname, op grond van de genoemde rapportage uit 2006, is en blijft het motief dat er een LPM moet komen.

In onze inspraakreactie op de Startnotitie m.e.r. Logistiek park Moerdijk in 2009 zijn wij uitgebreid ingegaan op de stellingname dat op het bestaande industrieterrein Moerdijk onvoldoende geaccommodeerd kan worden omdat de braakliggende gronden voor andere industriële en bedrijfsmatige activiteiten gereserveerd moeten worden. De toen naar voren gebrachte motieven zijn nog steeds uiterst actueel. Door de economische ontwikkelingen in de periode 2009 -2014 zijn de argumenten in kracht toegenomen.

In onze genoemde inspraakreactie hebben wij destijds het volgende naar voren gebracht:
Wij zijn de mening toegedaan dat door de huidige economische situatie de ontwikkelingstrend versneld en duidelijker waarneembaar doorzet en wel in die zin dat geen toekomstige ruimte reservering nodig is voor de traditionele doelgroepsectoren op het bestaande Moerdijkterrein.

Bij de onderbouwing van de behoefte aan bedrijventerrein binnen de bedrijfssectoren die thans het karakter bepalen van het bestaande Moerdijkterrein en die ook in de toekomst als de zogenaamde doelgroepsectoren gezien worden is door de provincie uitgegaan van het hoogste groeiscenario. De ministeries van VROM en EZ hebben het CPB een landelijke behoefteraming laten maken. Deze behoefteraming, vertaald naar de situatie West-Brabant, levert het beeld op dat deze de helft bedraagt van de raming van de provincie. Er is niets op tegen dat je als provincie een hogere ambitie hebt dan het landelijk gemiddelde, maar 100% meer is geen ambitie meer maar zelfoverschatting. In 2006 heeft de Stecgroep in opdracht van de gezamenlijke Kamers van Koophandel in Noord-Brabant de behoefte aan bedrijventerreinen in beeld gebracht. Zij kwam tot een raming die, gelet op de specifieke ambities van het rijk en de provincie, leidt tot een ophoging van het hoogste prognosemodel CPB met 20 tot 30% voor Noord-Brabant, ruim het dubbele van de werkelijke uitgifte van grond de afgelopen 10 jaar.

In de studie “gedegen en gedragen” wordt geconstateerd dat de provinciale ruimtebehoefte aan basischemie (+ 94 ha) op langere termijn lager zal uitvallen. Het CPB had dit al voorzien want zij ging in 2006 uit van een ruimtebehoefte van 0 ha voor het gebied Moerdijk.
Naast de gronden die Shell vrij heeft gegeven voor nieuwvestiging van bedrijven houdt zij nog een braakliggend terrein over van ruim 95 ha. Dat zal Shell zelf niet meer nodig hebben. Als Shell desalniettemin nog wel hectares nodig zou hebben is er altijd nog plaats om de andere vraag, die de provincie nog wel ziet maar het CPB niet, te accommoderen. Op de beschikbare gronden voor nieuwvestiging van bedrijven hoeft geen enkele m2 gereserveerd te worden voor chemie.

Voor de behoefteramingen in de sectoren voedings- en genotmiddelen, metaal, overige industrie (textiel, hout, papier, meubels) en energie- en waterproductie geldt ook dat de ramingen veel te hoog zijn en de trend zodanig is dat hiervoor nauwelijks nog hectares gereserveerd zullen moeten worden.
Bij de logistiek is dat anders. Voor die sector wordt zowel door de provincie als door het CPB een nadrukkelijke ruimtebehoefte voor de periode tot 2025 berekend. Ook daar raamt de provincie meer dan het CPB, maar een 10 tot 20% hogere raming is voor ons een ambitie die begrijpelijk en verdedigbaar is.

De ruimte op het huidige Moerdijkterrein die in de nut en noodzaak benadering van de provincie gereserveerd moet blijven voor het juiste bedrijf op de juiste plaats in de sectoren waar geen sprake (meer) is van ruimtebehoefte, kan ingenomen worden door bedrijven in de sector logistiek. Daardoor komt de behoefte aan 150 ha logistiek in de oksel van de A16 en A17 in een ander daglicht te staan. Ons inziens is er dan geen enkele ha in dit gebied meer nodig. Maar meedenkend in de enorme ambitie van de provincie is voor een nieuw terrein van pakweg 50 ha een geheel andere benadering nodig dan nu gevolgd is. Veel meer locaties komen dan voor een afweging in aanmerking. Tot zover de tekst uit onze inspraakreactie van destijds.
Als aanvulling daarop het volgende. In tegenstelling van de nu gekozen locatie kan men bij het huidige industrieterrein gebruik maken van de bestaande aansluitingen op de A16 en A 17. Hier is geen interne baan nodig. Bovendien is diep vaarwater met kadefaciliteiten direct nabij, evenals spoorwegverbindingen.

Op grond van het bovenstaande is de SBBM van mening dat nut en noodzaak van een nieuw aan te leggen logistiek bedrijventerrein nabij het bestaande Industrieterrein Moerdijk niet aanwezig is. De voorgestane vestiging van grootschalige logistieke bedrijven kan uitstekend en adequaat plaatsvinden op de braakliggend gronden op het industrieterrein Moerdijk.

De provincie stelt in het ontwerp inpassingsplan dat het LPM de economische structuur in (West-) Brabant zal versterken en voorziet in de bovenregionale ruimtevraag naar logistiek. Logistiek Park Moerdijk wordt een hoogwaardig, vernieuwend en innovatief bedrijventerrein. Het logistiek bedrijventerrein is primair bedoeld voor grootschalige logistieke bedrijven (groter dan 5 hectare) die waarde toevoegen aan het logistieke proces, de zogenaamde VAL-bedrijven (Value Added Logistics).
Over de aanleg van LPM is zowel onder politici van provinciale Staten en gemeente Moerdijk als maatschappelijk twijfel of nut en noodzaak voldoende bewezen zijn. Om de geraamde prognoses te verifiëren heeft de Staten besloten de prognoses te laten toetsen via een second opinion, uitgevoerd door 5 onafhankelijke deskundigen (rapportage is opgenomen in bijlage 2). Conclusies waren onder meer:
• “De commissie is daarmee van mening dat LPM (te) laat wordt ontwikkeld, met het risico van een forse uitbreiding van het aanbod in een minder snel groeiende markt”.
• “De argumentatie voor LPM komt op de commissie gedateerd over, en lijkt meer te passen bij de jaren ‘90 dan bij 2013”.
• “Gegeven deze onzekerheid is de commissie zeer sceptisch over de gesuggereerde zekerheid van de nu veronderstelde potentie van het precies gedefinieerde segment waar LPM voor ontwikkeld wordt, namelijk VAL/VAS activiteiten met een terreingrootte groter dan 5 ha”.
• “Er is onvoldoende rekening gehouden met de onzekerheid die intrinsiek verbonden is aan lange termijn economische & ruimtelijke ontwikkeling”.
De commissie is verder van mening dat de mate waarin andere locaties in Midden- en West-Brabant VAL/VAS activiteiten > 5 hectare kunnen accommoderen is onderschat.
In Midden- en West-Brabant 490 ha braak en staat 115 ha aan grotere, logistieke bedrijfspanden (exclusief grond en gebouwen in ontwerpfase) te koop of te huur leeg. Op het industrieterrein Moerdijk staat 30% van de logistieke bedrijfspanden te koop of te huur. De leegstand in logistieke gebouwen volgens gegevens van NVM is bijna 3,0 mln vierkante meters, waarbij deze categorie het laatste jaar met 17 procent is gestegen
Volgens de commissie zijn bovendien de vestigingsfactoren voor het LPM niet optimaal. Moerdijk ligt minder centraal in afzetmarkten en heeft een minder gunstig profiel qua arbeidsmarkt, terwijl VAL/VAS activiteiten veelal laaggeschoolde en flexibel inzetbare werknemers nodig hebben.

Dezelfde twijfel over de doelgroep Val/VAS bedrijven groter dan 5 ha heeft SER-Brabant in haar advies van 21 november 2013 aan Provinciaal bestuur over het voorontwerp Havenstrategie (en LPM) geuit. SER-Brabant merkt op dat “ca. 80% van de goederenstromen op Moerdijk onbehandeld door gaat”. De Raad zet daarom vraagtekens bij de ambities ten aanzien van het Logistiek Park Moerdijk. Gezien de ligging en functie van Moerdijk is naar het oordeel van de SER niet zozeer behoefte aan een logistiek park. Op Moerdijk zullen zich bijvoorbeeld geen luxe computerbedrijven voor VAL-activiteiten vestigen, dat zien zij eerder plaatsvinden in het economisch hart van Brabant (bijv. Tilburg)”.

Als SBBM hebben wij meerde malen aangetoond dat kijkend naar bijvoorbeeld de vestigingen van logistiek bedrijven in Nederland over de jaren 2010 t/m 2013 op basis van de gegevens van Zadelhoff de gemiddelde omvang van nieuwe vestigingen 2,6 ha was. Vier bedrijfsvestigingen waren in deze periode groter dan 5 ha waren, geen van deze grote logistieke bedrijven waren echter VAL bedrijven. Er wordt voorbij gegaan aan het feit dat de vraag naar vastgoed slechts voor de helft van logistieke dienstverleners komt en dat de vraag voor logistieke bedrijfsruimte gemiddeld slechts voor de helft gericht is op nieuwbouw (bron NVM april 2014). Bovendien wordt geen rekening gehouden met de langere termijn ontwikkeling. In de prognose van de provincie wordt tot 2040, dus passend in de nu voorgestelde tijdsperiode van het inpassingsplan, een min groei van 950 ha verwacht. Het Planbureau voor de Leefomgeving heeft berekend dat in Noord Brabant tussen de jaren 2020-2030 645 ha teruggave van bedrijventerreinen aan de orde is die geschikt is voor logistiek.

Daarbij wordt binnen de provincie Noord Brabant, en zelfs in het gebied West- en Midden-Brabant, maar ook daarbuiten vele initiatieven genomen om logistieke bedrijfsterreinen te ontwikkelen of verder uit te bouwen (bijvoorbeeld Midden Brabant, Noord Oost Brabant, Roosendaal/Bergen op Zoom en daarbuiten Venlo, Rivierenland ed.)
Ten aanzien van de werkgelegenheid wordt in de Havenstrategie Moerdijk opgemerkt dat na 2015 er meer arbeidsplaat¬sen dan werknemers in West-Brabant zijn. De werkgelegenheid zou ons inziens met name gediend zijn bedrijven te stimuleren te vestigen rond gebieden met grote werkloosheid zoals omgeving Tilburg, Den Bosch en bergen op Zoom.

Op grond van het bovenstaande is de SBBM van mening dat de veronderstelling, dat door de aanleg van het Logistiek Park Moerdijk van 150 ha, zich daar vele grote logistieke bedrijven zullen vestigen niet juist is.
Door alle beschikbare bedrijventerreinen, intensiveringmogelijkheden van bestaande terreinen binnen West en Midden Brabant en plannen m.b.t. uitbreiding van terreinen op de as Maasvlakte – Rotterdam –Dordrecht – Antwerpen te confronteren met de geprognosticeerde vraag dan blijkt zondermeer dat een nieuw bedrijventerrein, het Logistiek Park Moerdijk, niet nodig is.

Conclusie nut en noodzaak:
Op grond van een geprognosticeerde vraag naar locaties voor grote logistieke bedrijven is een nieuw terrein naast het bestaande industrieterrein Moerdijk niet nodig. Om de te verwachten vraag te accommoderen zijn op het bestaande industrieterrein Moerdijk voldoende hoogwaardige kavels beschikbaar in lengte van jaren.

2. Beleid zuinig ruimte gebruik

Het Rijksbeleid gaat uit van een zorgvuldig afweging als het gaat om nieuw te ontwikkelen woon- en werkgebieden. Het een en ander wordt tastbaar gemaakt door wat genoemd wordt het toepassen van de SER ladder. Bij de behandeling van de Nota Ruimte in de Vaste Kamercommissie VROM was de toezegging van de minister dat de SER-ladder bij Moerdijk toegepast wordt.
Er is op het bestaande industrieterrein Moerdijk en op andere bedrijventerreinen in West en Midden Brabant nog 490 ha braakliggende grond en nog 115 ha staat te koop of te huur. Van een betere benutting van het bestaande industrieterrein Moerdijk, waar het projectvoorstel over spreekt, is in de praktijk geen sprake, er ligt ruim 250 ha al meer dan 40 jaar braak. Deze grond exclusief reserveren voor chemie staat in geen enkele verhouding, gelet op de toekomstprognose voor deze bedrijfstak. Om een voorbeeld te noemen: De afgelopen 2 jaar is nog geen 1 ha grond uitgegeven tegen de eerdere prognoses van 10 ha per jaar.
Door benutting van bestaande bedrijventerreinen voor de vestiging van logistieke bedrijvigheid kan extra werkgelegenheid, waar het projectvoorstel op speculeert, op eenzelfde wijze maar sneller en met minder kosten gerealiseerd worden.
De provincie Noord Brabant zet zich vanaf 2002 beleidsmatig in voor een zuinig ruimtegebruik. Het intensiever met de ruimte omgaan is in de provincie Noord Brabant echter nauwelijks van de grond” gekomen. De bruto en netto groei van bedrijventerreinen is sinds 2002 gelijk.
Daarmee krijgt het bevorderen van herstructurering van verouderde bedrijventerreinen totaal geen handen en voeten. Ook voor bedrijventerreinen geldt: eerst revitaliseren en inbreiden, daarna pas uitbreiden.
De overheid moet hierbij de regie in handen nemen. Een herstructurering komt niet op gang op basis van het particulier initiatief. Bedrijven vestigen zich, bij uitbreiding of op zoek naar een moderner pand, liever op een goedkoop nieuw terrein dan deel te nemen aan dure en moeizame herstructureringsprocessen.
Dit is een voorbeeld hoe dit in het Brabantse ook zou moeten. Er is op de diverse terreinen in de stedelijke regio’s in Midden- en West-Brabant volop de mogelijkheid om tot herstructurerings- en intensiveringsmaatregelen te komen om de huidige en toekomstige groei op te vangen. Door geen logistiek park Moerdijk te realiseren zal deze opgave sneller en gemotiveerder tot stand komen. Door wel een logistiek park Moerdijk te realiseren zal de noodzaak tot herstructurering en intensivering alleen maar toe nemen.
Dit strookt op geen enkele wijze met de in de visie gestelde doelen van zorgvuldig ruimtegebruik en de groei van het stedelijk ruimtegebruik af te remmen.

Gelet op het bovenstaande is de SBBM van mening dat de aanleg van het Logistiek Park Moerdijk is strijd is met het rijksbeleid en in strijd met provinciaal beleid van zuinig ruimtegebruik. De opgave is niet hoe realiseren we een nieuw bedrijventerrein, maar er moet dringend werk gemaakt worden van het invullen van open plaatsen op bestaande bedrijventerreinen, het herontwikkelen van leegkomende gebouwen en vrijkomende gronden.

3. Leefbaarheid

Gezien de inspraakreacties die destijds zijn ontvangen met betrekking tot het voorontwerp inpassingsplan en het concept MER ten aanzien van gezondheid en leefbaarheid is toegezegd dat in het ontwerp inpassingsplan en in het MER hieraan nog verdere aandacht zal worden besteed. De reacties over leefbaarheid en gezondheid zijn ook aanleiding geweest om de GGD te betrekken bij het uitwerken van het onderwerp ‘Leefomgevingskwaliteit’. Met de GGD is afgesproken dat zij een adviserende rol zullen vervullen.

In hoofdstuk 4.15 van het MER staat het verslag van de bevindingen. Opgemerkt wordt dat kwaliteit van de leefomgeving breder is dan alleen de mogelijke fysieke gezondheidseffecten van bijvoorbeeld de geluidsbelasting of luchtkwaliteit. Als gedacht wordt aan kwaliteit van de leefomgeving wordt gekeken naar het gebruik, ligging en de inrichting van het logistiek Park Moerdijk. Dit hangt niet alleen samen met fysieke gezondheidseffecten maar daarnaast ook met de gezondheids- en veiligheidservaring van mensen. Kortom, het gaat ook over welzijn en welbevinden.
Er zijn uiteenlopende aspecten onderzocht, zoals luchtkwaliteit, geluidsbelasting, verkeerscongestie, toegankelijkheid woongebied ed.
De conclusie is dat de inwoners nergens ongerust behoeven te zijn. Er wordt een aantal maatregelen voorgesteld zoals het opstellen van evacuatieplan en vergroting van de zelfredzaamheid voor inwoners Moerdijk door invoering van een veiligheidsdasboard. Opgemerkt wordt dat er daarnaast ook leefbaarheidsverbetering projecten (Moerdijk Meer Mogelijk) worden geïnitieerd. In het inpassingsplan wordt op pagina 104 de conclusie herhaald: Het Logistieke Park Moerdijk heeft inderdaad negatieve effecten op de leefbaarheid, maar deze effecten zullen voor de meeste inwoners klein zijn.

De werkelijkheid is echte een heel andere. In het advies dd. 12 augustus 2013 van de begeleidingscommissie (onder leiding van Nijpels) Havenstrategie, waar het LPM een onverbrekelijk onderdeel van uit maakt, wordt opgemerkt dat met de uitvoering van de plannen de leefbaarheid van dorp Moerdijk en het omringend buitengebied nog verder onder druk komt te staan en raadt aan een dialoog met de inwoners aan te gaan of leefbaarheid niet te zeer onder druk komt te staan om überhaupt een leefbaar bestaan te hebben. Landelijk is de discussie over het voortbestaan van het dorp veelvuldig in het nieuws geweest. In het SER Brabant advies tav de Havenstrategie wordt op pagina 4 gesteld dat de plannen voor het Logistiek Park worden gevoeld als definitieve nekslag voor de leefbaarheid. De Raad onderschrijft dat en stelt dat de relatief zeer forse inpassingsmaatregelen om de leefbaarheid te garanderen op realisme moeten worden gewogen. De Raad is van mening dat het dan ook moet gaan over een andere, nieuwe toekomst door de verplaatsing van het dorp elders binnen de gemeente Moerdijk. Alles afwegend is dat naar het oordeel van de Raad namelijk het voorkeursscenario, omdat de leefbaarheid van het dorp op langere termijn (2030) niet is te waarborgen, ook niet met draconische maatregelen. In haar advies over de havenstrategie schets BZW een perspectief waarbij het dorp Moerdijk de economische ontwikkelingen in de weg staan en dat dit niet te aanvaarden is. Dit (belangwekkende) onderwerp blijft volgens BZW als een ‘zwaard van Damocles’ boven de gehele nota hangen. Ook voor dit dossier geldt dat de oplossingsrichtingen om bezwaren te compenseren op een hoger schaalniveau moeten worden gezocht.

Als vervolg op deze discussie heeft het gemeentebestuur een enquête onder de inwoners van dorp Moerdijk georganiseerd. Als de plannen doorgaan ziet 52% van de inwoners van Moerdijk niet meer zitten, en 76% van de eigenaars van koopwoningen.
In het antwoord van het college op de raadsvragen fractie VVD van 4 december geeft zij onder meer het volgende aan:
“Daarbij is de mening van de inwoners van het dorp voor het college van grote invloed. Om die reden hechten wij een groot belang aan het verrichten van een enquête. Op basis van de uitkomsten van de enquête en de overige ontvangen reacties in het kader van de consultatieperiode, kan dan het definitieve toekomstperspectief in de Havenstrategie/LPM worden opgenomen”
en
“ Als er bij hen (inwoners kern Moerdijk) geen draagvlak blijk te zijn voor de gemaakte keuze in de Concept Havenstrategie, is dat een reden om opnieuw in overleg te treden met provincie en havenschap over de inhoud van de definitieve Havenstrategie. Deze zal uiteindelijk door alle drie de partijen moeten worden vastgesteld.
Dus er dient meer evenwicht is de 3P’s komen.

Daarmee vervalt het argument dat het LPM verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving betekent.
De aanleg leidt tot een onleefbaar leefmilieu voor bewoners in het buitengebied en zeker voor de inwoners van het dorp Moerdijk. Niet voor niets is een discussie over het amoveren van Moerdijk op de agenda geplaats en zijn al steunmaatregelen voor de huizenbezitters noodzakelijk gebleken.

Het LPM zal volgens de provincie Noord Brabant bijdragen ontwikkelingen die de leefbaarheid binnen de gemeente vergroten, de zogenoemde projecten Moerdijk Meer Mogelijk. Wij merken op dat de belangrijkste financiële gelden niet gaan naar de kernen die door de aanleg van LPM het meest bedreigd worden te weten dorp Moerdijk en Zevenbergschen Hoek. Van de bijna 87 miljoen euro gaat er 12 miljoen naar dorp Moerdijk, geen gelden meer naar Zevenbergschen Hoek en globaal 70 miljoen naar de kern Zevenbergen.

In het inpassingsplan staan een aantal voorbeelden waarbij de leefbaarheid van de omliggende kernen extra onder druk komt te staan. We noemen:
• Filevorming op A17 en A16, Er worden op een gemiddelde werkdag circa 25.000 voertuigbewegingen van en naar LPM gemaakt ( Mer rapportage pagina 126). Omdat er nu reeds sprake is van file vorming en de Moerdijkbrug niet verbreed wordt zullen deze extra toenemen met het toenemen van sluipverkeer.
• In diverse doorgaande wegen in Zevenbergschen Hoek en Moerdijk zal sluipverkeer toenemen, deels boven de maximum toegestane waarde
• De ontsluiting van het dorp Moerdijk zal plaatsvinden middels een gecompliceerd, druk bereden kruispunt
• De inwoners van dorp Moerdijk hebben deels zicht op de gebouwen op LPM
• Zolang de interne baan niet is aangelegd zal het vrachtverkeer via de binnenwegen rond en in dorp Moerdijk lopen.

De conclusie van de SBBM is dat van verschillende kanten aangegeven en beargumenteerd wordt dat de algemene leefbaarheid door de aanleg van het LPM in combinatie met de Havenstrategie zo wordt bedreigd dat het amoveren van het dorp Moerdijk als een nadrukkelijke optie wordt gezien. Mede gelet op de beschikbare alternatieven moet aanleg van het LPM alleen al vanuit dit perspectief achterwege blijven.

4. Financiële haalbaarheid

Aan de aanleg van het LPM kleven grote financiële risico’s. De financiële risico’s hangen in eerste instantie samen met het uitgiftetempo en de te realiseren verkoopprijs. De second opinion commissie acht de raming van de vraagkant veel te optimistisch. Zij pleiten eveneens voor een gefaseerde ontwikkeling van het LPM, gegeven de inherente onzekerheid aan de vraagkant vinden zij fasering een logische optie. Daarnaast achten zij de grondprijs van €150,–, die oorspronkelijk in de business case (BC) gehanteerd werd, te hoog. De nu voorgestelde grond prijzen (respectievelijk 145 en 135 euro) liggen nog dicht tegen deze te hoge rijzen aan. Volgens de commissie zitten de toplocaties in Nederland onder de gehanteerde prijs, Venlo en Tilburg bijvoorbeeld bieden grootschalige kavels voor rond €125-150 per m² aan. Groenewout Consultants & Engineers merken n.a.v. een onderzoek in een recent artikel op dat de markt voor gronduitgifte de afgelopen jaren stil lag waardoor gemeentes zijn gaan concurreren op grondprijs. In de Brabantse Corridor ligt de gemiddelde grondprijs nu op een niveau van 90 – 110 € per m2. Dit is duidelijk lager dan vijf jaar geleden. Gelet op de grote onzekerheid of er voldoende vraag van de doelgroep VAL/VAS bedrijven groter dan 5 ha komt , mede gelet op de te hoge grondprijs en matige arbeidsmarkt, is reëel – en in de praktijk ook een door provinciale Statenleden geopperde optie – dat alleen fase A aangelegd en hopelijk op termijn uitgegeven wordt. De toekomst moet dan leren of het beperkt blijft tot deze fase A of dat er ingrijpende wijzingen plaatsvinden in bijvoorbeeld de soort bedrijven waarop het LPM zich dan gaat richten, zoals de door SER Brabant genoemde shortseashipping gebonden logistiek. Op dat moment komt tevens de vraag aan de orde of op dat moment er binnen West- en Midden- Brabant nog elders ruimte beschikbaar is om deze vraag te accommoderen, of dat bijvoorbeeld Rotterdam zelf meer logistieke afhandeling gaat verzorgen, omdat door de aanleg van Maasvlakte 2 veel kade ruimte vrijkomt.

De wens en de politiek-bestuurlijke ambitie om kosten wat het kost het LPM te realiseren overheerst de motivatie over de financiële haalbaarheid.
Het LPM is als gevolg van de hoge investeringen bij de aanvang, de gefaseerde ontwikkeling en het marktrisico een project met een hoog financieel risicoprofiel. Dit hoog risicoprofiel wordt nog verstrekt gelet op het weinig succesvol zijn van de provincie Noord-Brabant bij het ontwikkelen van bedrijventerreinen. Op het bestaande industrieterrein Moerdijk bleef na vestiging van Shell de verdere gronduitgifte zo achter bij de verwachtingen dat rijk en provincie vele tientallen miljoenen hebben moeten afschrijven om het terrein weer exploitabel te krijgen. De enige reden dat het Havenschap Moerdijk niet jaarlijks rode cijfer schrijft ligt in de grote verliezen die destijds in één keer zijn genomen. Weinig succesvol was de provincie ook bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein Hazeldonk. lang werd er niet of nauwelijks grond verkocht. De locatie is uiteindelijk met groot verlies verkocht aan een ontwikkelaar. Ook recente bemoeienissen van de provincie met bedrijventerreinen zijn geen succes (denk aan MSD-terrein in Oss of het Aviolanda-terrein in Woensdrecht). De provincie leidt niet alleen verliezen bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen, ook bij de ontwikkeling van glastuinbouwlocaties heeft de provincie geen gelukkige hand. De provincie leidt verlies op de glastuinbouwlocaties in Dinteloord, Deurne en Prinsenbeek waarin zij via
de Tuinbouwontwikkelingsmaatschappij participeert.
De SBBM adviseert de provincie dan ook lering te trekken uit die ervaringen en creëer niet nog een financieel problematisch, verliesgevend project.

De conclusie van de SBBM is dat de financiële risico’s groot zijn en tegelijkertijd onvoldoende in beeld gebracht worden. De uitwerking van de fasering zal onderdeel moeten zijn van het exploitatieplan en business case. Duidelijk moet aangegeven worden welke gevolgen de fasering of zelfs een beperking tot bijvoorbeeld 2 fasen heeft voor het exploitatieplan en business case.

5. Looptijd van het inpassingsplan

Mede op advies van de Mer commissie van advies en de commissie second opinion is de provincie van mening dat het LPM fasegewijs aangelegd moet worden.
Aan de aanleg van het Logistiek park Moerdijk (LPM) kleven grote financiële risico’s. De financiële risico’s hangen in eerste instantie samen met het uitgiftetempo en de te realiseren verkoopprijs. De second opinion commissie acht de raming van de vraagkant veel te optimistisch. Zij pleiten eveneens voor een gefaseerde ontwikkeling van LPM, gegeven de inherente onzekerheid aan de vraagkant vinden zij fasering een logische optie. De commissie second opinion merkt op dat in de planvorming onvoldoende rekening wordt gehouden met de onzekerheid die intrinsiek verbonden is aan lange termijn economische en ruimtelijke ontwikkeling. Gegeven deze onzekerheid is de commissie zeer sceptisch over de gesuggereerde zekerheid van de nu veronderstelde potentie van het precies gedefinieerde segment waar LPM voor ontwikkeld wordt, namelijk VAL/VAS activiteiten met een terreingrootte groter dan 5 ha.
De opmerkingen van de commissie second opinion heeft er toe geleid dat het Havenschap Moerdijk kenbaar heeft gemaakt dat in een situatie van een looptijd van de uitgifte van circa 15 jaar bij een verlaging van de uitgifteprijzen er sprake blijft van een sluitende exploitatie. De provincie acht het inpassingsplan economisch uitvoerbaar omdat het Havenschap Moerdijk het ontwikkelrisico op zich neemt en voldoende weerstandsvermogen heeft voor de opvang van eventuele ontwikkelrisico’s.

Gelet op de grote onzekerheid is het van groot belang dat het inpassingsplan een korte tijdshorizon heeft, zodat op basis van actuele ontwikkelingen besloten kan worden de ontwikkeling te stoppen of op een andere wijze invulling te geven. Daarbij ligt een looptijd van korter dan 10 jaar meer voor de hand dan een looptijd langer dan 10 jaar. Een looptijd van maximaal 10 jaar voorkomt dat in aanvang een te groot beslag op financiële middelen gelegd wordt, bijvoorbeeld ook door allerlei compenserende projecten, wat nadien leidt tot een omvangrijk exploitatie tekort.

Gelet op bovenstaande argumenten zal voor het inpassingsplan in eerste instantie uitgegaan moeten worden van ten hoogste 1 of 2 fasen en dient de duur van het bestemmingsplan op de gebruikelijk 10 jaar gesteld te worden. Het argument dat een dekking gezocht moet worden voor de projecten MMM en andere toezeggingen snijdt geen hout nu de provincie zelf een fasering heeft aangebracht waarbij hoogst onzeker is of alle fasen wel doorlopen worden.

In het inpassingsplan wordt op pagina 25 opgemerkt dat het uitgangspunt is realisatie van het gehele plangebied binnen de planperiode van ca. 16 jaar (tot en met 2030). In het exploitatieplan wordt op pagina 12 de volgende fasering aangehouden, fase 1 2015, fase 2 2018, fase 3 2022 en fase 4 2025. In de aanmelding van het LPM voor de crisis en herstelwet 9e tranche en in de vooraankondiging van de voorpublicatie van wijziging van de crisis en herstelwet 9e tranche in de Staatscourant wordt echter gesproken over een uitgifte duur van 20 jaar. Deze bijgestelde planning zal tot bijstelling van het inpassingsplan en de exploitatieopzet moeten leiden, waarnaar een nieuwe ronde van inspraak en afweging van de risico’s noodzakelijk is.

Het LPM wordt gefaseerd aangelegd, te beginnen bij de locatie A17. De kans dat LPM slechts gedeeltelijk wordt aangelegd is in onze ogen groot. Daarom verdient het aanbeveling sowieso een andere fasering aan te houden, waarbij het aanbeveling verdient om de locatie langs de A16 het eerst aan te leggen. Deze locatie geeft het dorp Moerdijk het minst hinder ( geen aanpassing rotonde A17 nodig, geen visuele hinder) en maakt de aanleg van de interne baan in deze fase overbodig. De hoofdontsluiting moet dan komen bij De Gouden Leeuw en een parallelweg langs de Moerdijkse Binnenbaan, met een lokale verbindingsweg vanuit Moerdijk vrij van de rotondes naar het station. Bovendien wordt hier een snelle oplossing bereikt voor de bewoners die in dit gebied langs de A16 wonen. De huidige planning ( gebaseerd op 10 jaar uitgifte) is dat pas in 2022 dit gebied ontwikkeld wordt. Al die tijd hebben deze inwoners te maken met grote overlast en een bedorven leefmilieu.
De conclusie van de SBBM is dat op geen enkele wijze te rechtvaardigen is dat de geldingsduur van het inpassingsplan 20 jaar zou moeten zijn. De kans dat een kwart of half plan als definitieve vorm ontstaat is levensgroot aanwezig en zou binnen de gebruikelijke termijn gerealiseerd kunnen worden. Bij het handhaven van de 20 jaar dient het inpassingsplan en de exploitatieopzet hier op aangepast te worden, waarna een nieuwe inspraakronde noodzakelijk is. Onderdeel van de heroverweging is mogelijk een gewijzigde volgorde van fasering.

6. Locatiekeuze voor het LPM

De locatiekeuze voor het LPM is onzorgvuldig tot stand gekomen en kan dan ook geen uitgemaakt zaak zijn waarop het inpassingsplan is gebaseerd.
De provincie beargumenteerde het opnemen van het Logistieke Park in deel C van de interim structuur visie door naar het streekplan te verwijzen met het daarin het beschreven bedrijfsterrein Moerdijkse Hoek. De omschrijving van Moerdijkse Hoek had in het streekplan slechts een globaal karakter, met een algemeen zoekgebied. Tevens beargumenteerde de provincie dat deel C voortkomt uit de mogelijkheid van de nieuwe wet ruimtelijke ordening.
De SBBM heeft in oktober 2008 bij de Raad van State beroep ingesteld m.b.t. de Interimstructuurvisie die op 27 juni 2008 door Provinciale Staten is vastgesteld. Dit beroep had betrekking op Deel C in het bijzonder het deel dat gaat over het Logistiek Park Moerdijk. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State constateert dat de Interimstructuurvisie tot stand is gekomen onder vigeur van de (oude) Wet op de Ruimtelijke Ordening. Voor de mogelijkheden van beroep kan de Interimstructuurvisie als een streekplan aangemerkt worden. Conform de (oude) WRO omvat een streekplan de toekomstige ontwikkelingen van het in het plan begrepen gebied in hoofdlijnen. De aanwijzing van het gebied Moerdijk-Oost met de daarbij behorende begrenzing als logistiek park had als concrete beleidsbeslissing in de Interimstructuurvisie opgenomen moeten zijn om als zodanig vastgesteld te kunnen worden.
De Afdeling Bestuursrechtspraak constateert dat Provinciale Staten de betreffende locatie niet als concrete beleidsbeslissing heeft aangewezen. Op grond hiervan bestaat er derhalve geen recht op beroep.
Als er geen sprake is van een concrete beleidsbeslissing kan hoogstens sprake zijn van een beleidsvoornemen en een beleidsvisie op hoofdlijnen. In die situatie valt zowel de locatie Moerdijk-Oost als Moerdijk-West hierbinnen. Met betrekking tot het projectMER zouden derhalve beide locaties onderzocht hadden moeten worden.
Het feit dat de provincie stelt dat een statenmeerderheid akkoord is gegaan met de locatiekeuze voor het Logistiek Park Moerdijk is daarmee kennelijk onjuist. Een aanwijzing wordt volgens de nieuwe wet RO via het inpassingsplan gedaan. In de oude wet kon dat met een concrete beleidsbeslissing, maar daar heeft het provinciaal bestuur niet voor gekozen.

Hierdoor dient thans de formele besluitvorming over de locatiekeuze plaats te vinden en dient de afweging tussen de alternatieven nu plaats te vinden. De alternatieven voor de locatie van het LPM zijn: de locatie Moerdijk-West en de locatie bestaand industrieterrein Moerdijk.

De SBBM is van mening dat, door de wijze van de besluitvorming over de locatiekeuze, deze keuze nu plaats dient te vinden in het kader van de besluitvorming over het inpassingsplan.

Locatie Moerdijk West
Dat vanuit de PlanMER Moerdijk-Oost als meest geschikt uit de bus is gekomen is niet verwonderlijk. In de jaren daarvoor is steeds sprake geweest van de politieke wil om in de oksel van de A16 en A17 een bedrijventerrein te realiseren. Uit de samenvatting van de effectvergelijking tussen de onderzochte locaties in het PlanMER komt naar voren dat er weinig verschil is tussen de verschillende locaties. De Commissie MER merkt in haar advies over het PlanMER op dat er kanttekeningen te plaatsen zijn bij de keuze van de criteria en de beoordeling van sommige locaties op de criteria. Vervolgens noemt de commissie enkele voorbeelden.

De bestuursovereenkomst tussen de drie betrokken partijen (Rijk, Provincie en Gemeente) , die nadien gesloten is, heeft wezenlijke betekenis voor de afweging van de locaties Moerdijk Oost en West. De uitplaatsing van Caldic voor 2016, niet meegenomen in het PlanMER, zorgt voor een wijziging van de scores waardoor de locatie West aanzienlijk positiever scoort dan de locatie Oost.
Als we inzoomen op een vergelijking tussen de locaties Moerdijk-Oost en Moerdijk-West dan constateren wij dat er nadrukkelijk kanttekeningen te plaatsen zijn bij de scores van een aantal criteria en de motivatie daarbij. In de vergelijking is sprake van een aantal feitelijke onzorgvuldigheden, zoals het niet betrekken van effecten van Natura 2000 of het waterbergingsgebied, het onjuiste aantal woningen binnen de locatie Oost, de ontsluiting van Oost via het knooppunt Noordhoek en het niet betrekken van het “eiland van Moerdijk” als mogelijk waardevol archeologisch gebied. We verwijzen hierbij naar bijlage1.

Los van deze onjuistheden blijkt de verschillen tussen de verschillende locaties niet groot te zijn en worden soms door slechts één aspect bepaald. Als voorbeeld daarvoor geldt dat de locatie Moerdijk-West minder scoort op het aspect externe veiligheid door de aanwezigheid van Caldic. Voor de gemeente Moerdijk is de verplaatsing van Caldic echter een voorwaarde om mee te werken aan een logistiek park.
Ook de onderlinge weging van de criteria brengt verschillen met zich mee, die met een andere weging totaal anders uitpakt. Wij verwijzen hierbij naar bijlage 2.
Als voorbeeld kan de congestiegevoeligheid van het autosnelwegnet genoemd worden. De A 16 tussen Dordrecht en de A17 is een wegvak dat gevoelig is voor congestie. Bij de criteriumweging wordt aan het criterium mobiliteitsprofiel meer gewicht toegekend dan aan het criterium weggebonden bereikbaarheid. Bij de indicatoren wordt aan de nabijheid van een station openbaar vervoer meer gewicht toegekend dan aan de congestiegevoeligheid van een autosnelweg. De werknemers, de werkgevers en de vervoerders op een dergelijk terrein zullen dat totaal anders zien.

Door de aangegeven onjuistheden en de kanttekeningen die zondermeer bij de weging van de criteria zijn te plaatsen is kan de locatie West niet simpelweg afgeserveerd worden. Doordat voor een aantal effecten geen scores zijn opgenomen kan het eindoordeel niet getoetst worden. Dit geldt ook omdat de gehele cijfer exercitie ontbreekt.
Het is ons inziens zelfs zo dat op basis van de genoemde criteria West hoger scoort dan Oost.

Daarnaast wordt het LPM als locatie uniek genoemd door de aanwezigheid van 4 modaliteiten (weg, spoor, water en buizenleiding). De werkelijkheid laat echter zien dat deze locatie slechts op een modaliteit scoort, te weten weg. Om een verbinding te maken met water en spoor zal een interne baan moeten worden aangelegd om zo een verbinding met het bestaande industrieterrein te krijgen. Deze interne baan wordt volgens plan slechts aangelegd nadat fase 1 nagenoeg is uitgegeven en vraag belangrijke financiële offers ( rond 15 miljoen). Zolang deze niet is aangelegd zal de vervoersbewegingen via deels via de lokale wegen van dorp Moerdijk moeten plaatsvinden. Een interne baan behoeft bij locatie West niet worden aangelegd, omdat een tunnel onder de snelweg A17 volstaat.
Mede gelet op de onzekerheid van de vraag naar deze bedrijfsgrond van de specifieke doelgroep wordt het LPM gefaseerd aangelegd. Daarmee bestaat een reële kans dat de aanleg na de eerste of tweede fase gestopt wordt. Gefaseerde aanleg van het LPM is veel logischer te realiseren door de locatie West, doordat de fase dan als schil tegen het bestaande industrieterrein gesitueerd is.

De SBBM is van mening dat de locatie Moerdijk –West de voorkeur verdient als het gaat om de afweging tussen Oost en West. Er dient dan ook een gecorrigeerde afweging opgesteld te worden.

Locatie huidig industrieterrein Moerdijk
De provincie is van mening dat op het huidige industrieterrein Moerdijk de braakliggende gronden gereserveerd moeten blijven voor bedrijven met bijzondere vestigingsvoorwaarden. Daarnaast wordt het waarschijnlijk geacht dat de beschikbare gronden niet “vrij“ op de markt worden gebracht omdat grondeigenaren condities verbinden aan de verkoop met betrekking tot de aard van de te vestigen bedrijvigheid.
Op grond van kwalitatieve aspecten ontstaat een zoekopgave voor 159 ha (afgerond 150 ha) bovenregionale logistiek. Dit omdat van de gezochte 254 ha er op het huidige Moerdijkterrein maar 65 ha gevonden kunnen worden.
Het spreekt voor zich dat de aangelegde kades op het industrieterrein Moerdijk benut moeten worden en gaan worden door bedrijven die deze kades nodig hebben. Dit is niet specifiek gekoppeld aan het type bedrijvigheid, dit kan zowel chemie als logistiek zijn.
Het juiste bedrijf op de juiste plaats in relatie tot de geprognosticeerde vraag naar bedrijventerrein leidt niet tot de geformuleerde zoekopgave.
Aangegeven wordt dat bij het hoge groeiscenario er behoefte is aan 353 ha bedrijventerrein, onderverdeel in 224 ha logistiek, 94 ha chemie en 35 ha overige bedrijvigheid.
Op het huidige moerdijkterrein komt 254 ha bedrijventerrein beschikbaar voor uitgifte. Uit de rapportage Perspectief economische ruimtebehoefte West-Brabant blijkt dat er daarnaast nog een stille reserve is van 111 ha ( 72 ha op het van Shell blijvend terrein en 39 ha op overige terreinen). Deze gronden worden niet meegenomen in de vergelijking tussen vraag en aanbod. Dat is onjuist. Als uitgegaan wordt van het hoge groeiscenario en er wordt ook als doel gesteld dat er sprake moet zijn van zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik dan is het zaak om bij dat scenario druk te leggen op het benutten van reserves. Druk oefen je niet uit als er nieuw terrein beschikbaar is.

Rekeninghoudend met het feit dat niet iedere beschikbare kavel te benutten is voor logistiek, vanwege de ligging naast of tussen andere vormen van bedrijvigheid, waardoor milieutechnische conflicten kunnen ontstaan, is een zoekopgave te formuleren. Deze betreft echter beslist geen 150 ha.
Uit een nadere verkenning van de inrichtingsmogelijkheid van de beschikbaar komende Shell- gronden (Inrichtingsplan Shell reserveterrein Zuid, RBOI, augustus 2007) blijkt dat op deze gronden (industrial park) netto 131 ha uit te geven zijn. Daarvan is 52 ha geschikt voor chemie en 79 ha geschikt voor kadegebonden bedrijven. Deze 52 ha in combinatie met de stille reserve van Shell aan het Hollandsch Diep is ruimschoots voldoende om aan de berekende behoefte aan chemie te voldoen. Voor logistiek en overig is dan nog beschikbaar 79 + 40 + 42 + 20 + 5 = 186 ha. De berekende behoefte logistiek en overig bedraagt 224 + 35 = 259 ha. Op grond van deze berekening bedraagt de zoekopgave voor logistiek maximaal 259 – 186 = 73 ha (afgerond 75 ha).

Door uit te gaan van het hoge groeiscenario en de wens om in ieder geval 150 ha nieuw terrein bij Moerdijk te kunnen motiveren zullen de gemeenten in Midden- en West-Brabant in moeten leveren in plancapaciteit voor nog te ontwikkelen bedrijventerreinen. De ervaring heeft geleerd dat dit niet de werkelijkheid is. Tal van gemeente in West en Midden Brabant en daarbuiten beschouwen zich als de hotspot logistiek van Nederland. We behoeven maar kennis te nemen van een aantal recente berichten:
• In de profileringsdrang van de diverse logistiek hotspots doen nu ook Oosterhout, Tilburg en Waalwijk een duit in het zakje met de ondertekening van een convenant waarmee de drie Midden-Brabantse havengemeenten willen streven naar ‘meer vervoer over water’ en ‘versterking van de logistieke hotspot Midden-Brabant’
• Wethouder Erik de Ridder (Tilburg): “De logistieke sector is de economische motor van Midden-Brabant. We moeten als gemeenten de krachten bundelen, van elkaar leren en kijken waar er mogelijke efficiencyvoordelen te behalen zijn. Dit convenant is een verdere stap in de professionalisering van havenontwikkeling en havenbeheer in de regio Midden-Brabant.”
• Bergen op Zoom: Wethouder Linssen “Op economische gebied zie ik voor ons de komende jaren veel ontwikkeling in de logistiek, maintenance en de biobased industrie. In 2016 moet de containerterminal klaar zijn”.
• “Noordoost Brabant wordt een belangrijke logistieke hotspot. Vijfsterren Logistiek, het vorig jaar opgerichte platform van samenwerkende partijen in Noordoost-Brabant, lanceerde een viertal innovatieve samenwerkingsprojecten die dat doel moeten realiseren”.
• “Bedrijfsleven, overheid en onderwijs zitten vol ambitie om van Logistieke Hotspot Rivierenland (LHR) een succes te maken, zo bleek eind vorige week tijdens een drukbezochte informatiebijeenkomst in Tiel waar de toekomstplannen en de organisatiestructuur van de nieuwe Betuwse logistieke hotspot organisatie werden ontvouwd. We hebben een lijst van 35 Chinese bedrijven die geïnteresseerd zijn in deze regio”.
• “Trade Port Noord Venlo gaat een samenwerking aan met Prologis om de verdere ontwikkeling van logistiek vastgoed op bedrijvenpark Trade Port Noord Venlo te onderzoeken”.
• “Almere heeft het herstel ingezet in de rangorde op de jaarlijkse logistieke hotspotlijst. Waar Almere in 2011 nog een duikeling van de 5e naar de 9e maakte, is Almere nu weer een plaats gestegen naar de 8e plaats”.

Op grond van bovenstaande uitspraken verdwijnt een zoekopgave van 75 ha voor logistiek als sneeuw voor de zon.

De SBBM is van mening dat aan de geprognosticeerde vraag naar ruimte voor de vestiging van logistieke bedrijven bewijsbaar op het huidige industrieterrein voldaan kan worden. Als deze variant volwaardig in het MER was meegenomen, was dit de overtuigende voorkeursvariant geworden. Het MER dient dan ook in die zin te worden aangepast.
Samengevat is onze zienswijze dat

• het Logistiek Park Moerdijk in strijd is met het rijksbeleid en het provinciaal ruimtelijke beleid m.b.t. verstedelijking en zorgvuldig ruimtegebruik;
Zorgvuldig ruimtegebruik en om zinloze groei van het stedelijk ruimtebeslag te voorkomen motiveert een aanpak om te komen tot herstructurering en intensivering van bestaande (verouderde) bedrijventerreinen.
• nut en noodzaak van 150 ha Logistiek Park Moerdijk is en wordt niet aangetoond. Kwantitatief is er op het bestaande Industrieterrein Moerdijk voldoende ruimte aanwezig om aan de geprognosticeerde logistieke vraag te voldoen;
• zelfs op grond van kwalitatieve aspecten geen zoekopgave voor 150 ha logistiek gemotiveerd en onderbouwd kan worden;
• op geen enkele wijze te rechtvaardigen is dat de geldingsduur van het inpassingplan 20 jaar zou moeten zijn; de financiële risico’s van het plan zijn veel te groot;
• de besluitvorming over de locatiekeuze dient plaats te vinden in het kader van het inpassingsplan en daarbij moeten de locaties bestaand industrieterrein en Moerdijk-West betrokken worden;
• op grond van een juist afweging in het kader van het MER de locatie Moerdijk-West beter scoort dan de locatie Moerdijk-Oost en in die situatie de voorkeur verdient;
• van verschillende kanten beargumenteerd is dat de leefbaarheid van het dorp Moedijk en het omringend buitengebied door het LPM en de Havenstrategie ernstig bedreigd zal worden met alle gevolgen van dien.
Tot slot merkt de SBBM nog op dat voor de inwoners van het dorp Moerdijk een waardegarantieregeling is afgesproken, gelet op de berichtgeving rond de Havenstrategie en de aanleg van het LPM. Wij zijn van mening dat bij het afblazen van het LPM op geen enkele wijze de afgesproken opzet en uitvoering van waardegarantieregeling huiseigenaren kern Moerdijk negatief mag beïnvloeden omdat deze regeling in onze ogen los gezien moet worden van de realisatie van het LPM en nooit gebruikt mag worden als een soort chantagemiddel.
Vriendelijke groet

Stichting Behoud Buitengebied Moerdijk
Namens het bestuur

W. Rijnart, voorzitter

 

 

 

 

Bijlage 1
Kritiekpunten op de PlanMer
Samenvatting van onjuistheden afweging locatie West en Oost

Wij verwijzen voor onjuistheden naar de volgende punten:
• Geluid en externe veiligheid. Moerdijk West scoort slecht met name door Caldic. Deze verdwijnt, dus mag voor de locatie west niet meer meegerekend worden. Moerdijk Oost scoort goed door het reeds amoveren van woningen. Dit is een onjuiste redenering, voor een juiste vergelijking moet uitgegaan worden van de bestaande woningen of de lijn moet bij West doorgetrokken worden bij het verdwijnen van Caldic.
• Oppervlakte water/ waterberging. Van locatie Oost behoort een groot deel tot voorlopig reserveringsgebied waterberging 2016 (28) dat geldt niet voor West. Toch is een gelijke score als West toegekend.
• Afstand tot natura 2000 gebieden is bij Oost minder dan 1,5 km (30), en wordt daarmee als zorgpunt in de startnotitie genoemd. West ligt meer dan 2 km ver. Toch scoren beide locaties hetzelfde.
• Archeologisch geen bijzondere kwaliteiten muv dijken. (22/32) Klopt niet voor Oost als we kijken naar het “eiland van Moerdijk”, van archeologische waarde.
• Multimodaliteit: Goede mogelijkheden, beide locaties scoren hetzelfde ook tav ontsluiting water, namelijk grenzend aan de Roode Vaart. Nabijheid havenbekken Rood Vaart Oost ligt niet aan de Roode Vaart dus eenzelfde score als West is onjuist.
• Weggebonden bereikbaarheid is bij beide locaties relatief slecht, door verkeersdrukte A16, A 17 en Moerdijk brug. In de score scoort Moerdijk Oost iets beter dan West. Opgemerkt wordt dat gunstig voor Moerdijk Oost is dat via een tweede ontsluiting zich bij knooppunt Noordhoek voordoet. Er is echter geen knooppunt Noordhoek in de nabijheid.
• Sluipverkeer: Bij West is de kans op personen sluipverkeer met name bij file op A 17. Gesteld wordt dat bij file op A16 het sluipverkeer voor Oost via Zevenbergen gaat. Het is volstrekt onduidelijk waar dan op gedoeld wordt, want er zijn geen directe sluiproutes anders die ook voor Oost zouden gelden. In het huidige inpassingsplan is daarnaast vermeld over de huidige locatie Oost “Op het hoofdwegennet (A16 en A17) wordt de situatie met Logistiek Park Moerdijk ongunstiger op de wegvakken A17 Moerdijk – knooppunt Klaverpolder en de A16 Zevenbergschen Hoek – knooppunt Zonzeel. Dit is een logisch gevolg van de verkeersaantrekkende werking van het Logistiek Park Moerdijk. (pag 76) Ook zijn er toenames op de Johan Willem Frisostraat (Moerdijk dorp), Hoge Zeedijk en N285 (ten oosten van Zevenbergen richting Langeweg en Zevenbergschen Hoek) te verwachten…. Wel zijn er enkele wegvakken waarbij de grenswaarde wordt overschreden. Dit betreft de Steenweg (dorp Moerdijk), Hoofdstraat (Zevenbergsche Hoek) en Westelijke Parallelweg. In beide situaties zijn de intensiteiten hoger dan de grenswaarde.
• Aantal woningen binnen geluidsgevoelige bestemming: Genoemd wordt aantal in Oost 29 en West 15. Dit verschil geeft niet de juiste status weer. Opgemerkt wordt dat binnen het gebied Oost 58 woningen met geluidsgevoelige bestemmingen gesitueerd zijn, maar dat een groot aantal geamoveerd worden en bij Oost wordt reeds uitgegaan dat een groot aantal woningen verdwijnen. Zie onze opmerking bij geluid en externe veiligheid. Verder wordt opgemerkt dat Moerdijk West relatief veel geluidgevoelige objecten kent. Scoort daardoor slechter dan Oost. Het is ons volstrekt onduidelijk welke objecten dat dan zijn.
• Bij externe veiligheid zijn er beperkingen vanuit kern Zevenbergen en bestaande industrieterrein. Typisch omdat de afstand Oost tot Moerdijk Kern kleiner is als West tot Zevenbergen.
• In locatieafweging van de Mer commissie zijn al een aantal kanttekeningen geplaatst:
• De toepassing van het criterium ‘kans op procedurele vertragingen geluid’ is weinig onderbouwd. De Commissie verwacht dat het tijdpad waarin het logistiek park wordt gerealiseerd niet wordt gedomineerd door het gegeven of er een geluidzone moet worden aangepast. Ook is onvoldoende onderbouwd waarom de locatie Baardwijk Buiten op dit punt slechter scoort dan sommige andere locaties.
• In het MER wordt er van uitgegaan dat alle woningen en bedrijven die in de plangebieden liggen worden geamoveerd. Die aantallen worden echter niet in de afweging meegenomen en spelen dus geen rol in de relatieve geschiktheidsbeoordeling.
• In het MER is niet aangegeven wat de status is van het reserveringsgebied voor waterberging in Moerdijk en welke rol deze heeft gespeeld bij de beoordeling van de alternatieven.
• De beoordeling voor het aspect energie is gebaseerd op de mogelijkheden van het gebruik van restwarmte op basis van een afstandscriterium. De mogelijkheden voor koude-warmteopslag zijn ten onrechte niet bij het aspect energie opgenomen, maar onder het aspect grondwater. Aldaar vallen de relatieve verschillen op dit punt tussen de locaties weg door het grote aantal criteria binnen dit aspect.

Bijlage 2: Onjuistheden/opmerkingen afweging locatie Moerdijk Oost en locatie Moerdijk West
Onderstaand zijn de verschillen aspecten die betrokken zijn bij de locatieafweging weergegeven voor de locaties Moerdijk Oost en West, voor zover naar onze mening aperte onjuistheden in de Planmer zijn opgenomen. Deze worden in de middenkolom toegelicht. Deze opmerkingen dienen te leiden tot aanpassing van de eindscores (rood weergegeven).

Aspect Locatie Toelichting afweging met onjuistheden/opmerkingen Aspect gewicht Criterium gewicht Eind-score
Bodem en water
Oppervlakte water: Waterberging Oost Oost, een groot deel behoort tot voorlopig reserveringsgebied waterberging 2016 (pag 28.). 0,35 0,6 Er is geen eindscore op-genomen
West Geen opmerkingen (pag 28)
Gelet op bovenstaande kan de score Oost nooit gelijk zijn aan West (dus negatiever).
Ecologie
Ecologie: Afstand tot natura 2000 Oost Minder dan 1,5 km (pag 30). In de startnotitie wordt de afstand een zorgpunt genoemd. Ook de mercommissie vraagt hier aandacht voor. 0,5
1 Er is geen eindscore op-genomen
West Meer dan 2 km(pag 30)
Gelet op bovenstaande kan de score Oost nooit gelijk zijn aan West (dus negatiever).
Landschap, Cultuurhistorie en archeologie
archeologische waarden: Oost Geen bijzondere kwaliteiten muv dijken. (pag 22/32) De grond Moerdijk Oost bevat een archeologisch waardevol gebied. Zie bijlage 2 0,4 1 Er is geen eindscore op-genomen
West Archeologische waarden: geen bijzondere kwaliteiten muv dijken. (pag 23/32).
Gelet op bovenstaande kan de score Oost nooit gelijk zijn aan West (dus negatiever).
Verkeer en vervoer
Locatiebereikbaarheid: Multimodaliteit Oost Goede mogelijkheden. Ontsluiting water: Grenzend aan de Roode Vaart. Nabijheid havenbekken Rood Vaart (pag 22) Beide locaties scoren hetzelfde.
De locatie Oost grenst niet aan de Roode Vaart, maar wordt gescheiden door de Lapdijk en een groen strook. 0,7 0,4
5,0
West Goede mogelijkheden. Beide locaties scoren hetzelfde. Ontsluiting water: Grenzend aan de Roode Vaart. Nabijheid havenbekken Rood Vaart (pag 22). 5,0
Gelet op bovenstaande kan de score Oost nooit gelijk zijn aan West (dus negatiever).
Weggebonden bereikbaarheid Oost Relatief slecht bij weggebonden bereikbaarheid, (3 van de 5 punten) door verkeersdrukte A16, A 17 en Moerdijk brug. Gunstig voor Moerdijk Oost is een tweede ontsluiting zich bij knooppunt Noordhoek. Er is geen knooppunt Noordhoek bij Oost. 0,6 3,3
West Relatief slecht bij weggebonden bereikbaarheid, (3 van de 5 punten) door verkeersdrukte A16, A 17 en Moerdijk brug. Bij het volledig aanleggen van de A4 is West beter bereikbaar vanuit de Randstad.. 3,0
Er is geen knooppunt Noordhoek bij Oost. De score Oost is daarmee te hoog. Bij het volledig aanleggen van de A4 is West beter bereikbaar vanuit de Randstad. Score is te laag.
Mobiliteitsprofiel: huishoudens op fietsafstand Oost Oost 3.472 0.3 0,7 2,9
West West 7.677 3,0
Verkeersleefbaarheid Oost Oost scoort hier 5 (maximaal) omdat de kans hierop nihil lijkt te zijn.
Er wordt overigens gerekend op 15% meer verkeer. De optimale score is niet realistisch gelet op de huidige praktijk van het sluipverkeer van het industrieterrein Moerdijk 1 door dit gebied.
In het voorliggende inpassingsplan wordt opgemerkt “Op het hoofdwegennet (A16 en A17) wordt de situatie met Logistiek Park Moerdijk ongunstiger op de wegvakken A17 Moerdijk – knooppunt Klaverpolder en de A16 Zevenbergschen Hoek – knooppunt Zonzeel. Dit is een logisch gevolg van de verkeersaantrekkende werking van het Logistiek Park Moerdijk. (pag 76)
Ook zijn er toenames op de Johan Willem Frisostraat (Moerdijk dorp), Hoge Zeedijk en N285 (ten oosten van Zevenbergen richting Langeweg en Zevenbergschen Hoek) te verwachten…. Wel zijn er enkele wegvakken waarbij de grenswaarde wordt overschreden. Dit betreft de Steenweg, Hoofdstraat en Westelijke Parallelweg. In beide situaties zijn de intensiteiten hoger dan de grenswaarde. 0,3 5,0
West Bij West 3.7 is de kans op personen sluipverkeer met name bij file op A 17. Bij file op A16 gaat het sluipverkeer voor Oost via zevenbergen. Het sluipverkeer is nagenoeg niet aan de orde. De noodzaak voor sluipverkeer wordt bovendien minder door de aanleg van de noordelijke randweg in Zevenbergen Volstrekt onduidelijk waar hier opgedoeld wordt. De score van West is daarmee te laag. 3,7
De verwachting voor Oost is niet reel, daarmee is de score te hoog. Er is nu reeds veel sluipverkeer en dat neemt alleen maar toe. Onduidelijk waar sluipverkeer Zevenbergen vandaan komt, score te laag.
Geluid
Kans op geluidhinder als gevolg van het bedrijventerrein op woningen Oost Aantal woningen met geluidbestemming Oost 29, West 15 Dit aantal klopt niet. Opgemerkt wordt dat binnen het gebied Oost 58 woningen met een geluidsgevoelige bestemmingen gesitueerd zijn, maar dat een groot aantal geamoveerd worden en bij oost wordt reeds uitgegaan dat een groot aantal woningen verdwijnen. Er moet of uitgegaan worden van de feitelijke situatie. 0,5 1 2,0
West Moerdijk West kent relatief veel geluidgevoelige objecten. Scoort daardoor slechter dan Oost. Afweging speelt in eerste instantie alleen tav woningen (pag 2 bijlage 6). Vervolgens wordt gesproken over geluidgevoelige objecten. Volstrekt onduidelijk welke objecten dit moeten zijn. 1,0
Zowel de score Oost en West moeten aangepast worden. Oost moet lager, West moet hoger
Kans op geluidshinder hoofd ontsluitingsweg (bv door woningen in nabijheid) Oost Zie opmerkingen over aantal woningen! Bij het juiste aantal woningen valt de weging negatiever uit! 0,3 1 3,0
West Minste kans op geluidshinder 4,0
Kans op procedurele vertraging Oost 0,2 1 4
West In west meer kans op vertraging inzake geluidsprocedures, Onlogisch, ongemotiveerd. De score West moet aangepast worden. 3
Externe veiligheid
Externe veiligheid : Aanwezige risico bronnen Oost Contouren A17 en A 17 0,5 1 Er is geen eindscore op-genomen
West Contouren A17 en Caldic. Dus bij de beoordeling van West wordt rekening gehouden met Caldic Dit is niet juist meer. Zie overigens ook opmerkingen bij woningen.
Score West moet aangepast worden.
Externe veiligheid: Aanwezige kwetsbare objecten Oost Geringe beperkingen vanuit Zevenbergschen Hoek. Beperkingen voor de kern Moerdijk zijn niet meegenomen. Onjuist omdat de afstand Oost tot Moerdijk Kern kleiner is als West tot Zevenbergen. 0.3 1 Er is geen eindscore op-genomen
West Beperkingen vanuit kern Zevenbergen en bestaande industrieterrein.
Onjuist omdat de afstand Oost tot Moerdijk Kern kleiner is als West tot Zevenbergen.
Score Oost moet duidelijk lager zijn. (zie plattegrond)