Tagarchief: Milieu Effect Rapportage

Brabant Weekbericht nr. 10 MER Moerdijkse Hoek openbaar

De milieueffectrapportage (MER) voor het bedrijventerrein Moerdijkse Hoek is openbaar. Het college van Gedeputeerde Staten (GS) heeft het rapport voor kennisgeving aangenomen en toegelicht aan de commissie Moerdijkse Hoek en andere direct betrokkenen. Gezien het besluit van GS om Zeehaventerrein Moerdijk nader te onderzoeken, inclusief het verrichten van een tweede visie op het rapport van CPB, is besloten het MER verder niet in procedure te brengen.

Artikel BN/De Stem: ‘Moerdijkse Hoek mogelijk’

Door Frank Timmers

Vrijdag 17 maart 2006 – DEN BOSCH – Wat het milieu betreft, zijn er geen belemmeringen om in de Moerdijkse Hoek een industrieterrein aan te leggen. Dat blijkt uit de Milieu Effect Rapportage (mer) voor Moerdijkse Hoek, die gisteren is gepresenteerd. De kans bestaat dat dit tien centimeter dikke rapport voor niets is gemaakt. De provincie en de gemeente Moerdijk onderzoeken immers de haalbaarheid van het alternatief voor Moerdijkse Hoek: Port of Brabant. De mer- procedure is dan ook stopgezet op het moment dat het rapport normaal gesproken de inspraak ingaat.

In de mer zijn drie modellen onderzocht. In het Compact model worden de bedrijven in de Moerdijkse Hoek dicht tegen elkaar aan gebouwd, met een groen gebied daaromheen. In het Parkmodel is het groen tussen de bedrijven door gepland. Dan is er het Meest Milieuvriendelijke Alternatief, dat lijkt het meest op het Parkmodel, maar heeft ook industrie voorzien aan de Roode Vaart, wat in het Parkmodel niet het geval is. In alle drie de modellen is zeshonderd hectare bedrijventerrein het uitgangspunt, in combinatie met tweehonderd hectare groen.

De provincie trekt de conclusie dat niet één alternatief duidelijk beter is dan het andere. Als ‘Moerdijkse Hoek’ doorgaat, moet de politiek maar een keuze tussen die drie modellen maken, zo stellen de onderzoekers. Mocht de provincie in juni tot de conclusie komen dat Port of Brabant niet haalbaar is, dan is de mer-procedure snel weer op te pakken.

Wat de natuur betreft, zijn er geen belemmeringen te verwachten. Er zijn in het gebied dus geen diersoorten aanwezig, waardoor de plannen tegenhouden kunnen worden. Ook de gezondheidsgevolgen zijn volgens de provincie te overzien. Waar bijvoorbeeld te veel geluid wordt geproduceerd, kan een geluidsscherm komen om het geluid tegen te houden.

Op het gebied van de luchtkwaliteit hebben de onderzoekers even pas op de plaats gemaakt. ‘Er is nieuwe wetgeving in de maak. We wachten tot duidelijk is, hoe we dit onderwerp verder moeten aanpakken“, zegt Janny van der Heijden, projectleider mer Moerdijkse Hoek. Voorzover de onderzoekers nu kunnen zien, is de toevoeging van de nieuwe industrie op de al aanwezige overschrijdingen van fijn stof ‘niet heel groot’. De gezondheidsgevolgen zijn duidelijk geworden door de Gezondheids Effect Screening, een apart onderzoek dat in de mer is opgenomen.

Reactie SBBM op de Tweede aanvulling op de Startnotitie m.e.r. Bedrijventerrein Moerdijkse Hoek

De Tweede aanvulling op de Startnotitie m.e.r. Bedrijventerrein Moerdijkse Hoek heeft betrekking op het uitbreiden van het oorspronkelijke zoekgebied voor Moerdijkse Hoek met een gebied, gelegen ten oosten van de HSL, op het grondgebied van de gemeente Drimmelen.
Dit gebied maakt onderdeel uit van de locatie A16-Oost, beschreven en beoordeeld in het “Onderzoek naar de mogelijkheden in West-Brabant voor grootschalige terreinen voor bedrijven met specifieke vestigingsvoorwaarden” van de provincie Noord-Brabant dd februari 1996.

1. De procedure
In deze tweede aanvulling wordt gesteld dat ” Omdat tijdens de periode dat de startnotitie m.e.r. bedrijventerrein Moerdijkse Hoek ter inzage lag, nog niet bekend was dat eventueel ten oosten van de HSL-spoorlijn kan worden gebouwd, men (nog) niet heeft kunnen inspreken op dit onderdeel van het initiatief” en dat daarom belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld te reageren op deze wijziging.
Er kan, zo wordt in de begeleidingsbrief van GS nog eens nadrukkelijk gesteld, alleen ingesproken worden op deze tweede aanvulling.

Deze stellingname is echter fundamenteel onjuist!
Voorbijgegaan wordt immers aan het feit dat door de uitbreiding van het zoekgebied met een gebied ten oosten van de HSL een geheel nieuwe groep mensen belang krijgt bij de eventuele ontwikkeling van het bedrijventerrein Moerdijkse Hoek. Was er eerst nog sprake van een ontwikkeling aan de westzijde van de HSL, geheel op het grondgebied van de gemeente Moerdijk, nu is er sprake van een (mogelijke) ontwikkeling aan weerszijden van de HSL, die zich uitstrekt over het grondgebied van 2 gemeenten.
Hadden mensen ten oosten van de HSL in eerste instantie geen direct belang bij het initiatief tot ontwikkeling van een grootschalig bovenregionaal bedrijventerrein voor zware, milieuhinderlijke industrie, nu hebben zij daar wél belang bij. En dat belang betreft niet alleen het feit dat dit terrein nu ook deels ten oosten van de HSL komt, maar dat belang betreft het initiatief als zodanig. Deze groep is nu plotseling belanghebbend geworden bij het oorspronkelijk initiatief, n.l. bij het voornemen van de provincie om in dit deel van West-Brabant een grootschalig bedrijventerrein te gaan ontwikkelen.
Dat betekent dus dat deze mensen de gelegenheid behoren te hebben zich uit te spreken over het gehele initiatief en dat dus ook de oorspronkelijke startnotitie én de eerste aanvulling daarop (opnieuw) in de inspraak behoren te worden gebracht.

In feite kan deze uitbreiding trouwens niet gezien worden als een aanpassing van het oorspronkelijk initiatief, maar is er sprake van een nieuw initiatief.
GS constateren dat het initiatief, gezien de door haarzelf gestelde randvoorwaarden, niet binnen het beoogde gebied gerealiseerd kan worden. Derhalve wordt daartoe een nieuw totaalgebied aangewezen, waarvan het oorspronkelijk zoekgebied deel uitmaakt.
Voor dit nieuwe initiatief dient dus een nieuwe m.e.r.-procedure te worden gestart. Er behoort dus een nieuwe, volledige, startnotitie te worden opgesteld en een nieuwe inspraakprocedure te worden gevolgd.

2. De locatiekeuze
In het hiervoor reeds genoemde onderzoek naar de mogelijkheden in West-Brabant voor grootschalige terreinen voor bedrijven met specifieke vestigingsvoorwaarden, werd een negental locaties aan een nader onderzoek onderworpen. Eén daarvan was de oksel A16/A17 (het huidige Moerdijkse Hoek), een andere was de locatie A16-Oost, zijnde het gebied waarin nu de uitbreiding van Moerdijkse Hoek is gedacht.

De locatie A16-Oost werd toen op basis van ruimtelijke criteria als geschikt aangemerkt, maar werd op basis van haalbaarheidscriteria en dan met name gezien de financiële aspecten, toch als wat minder geschikt beoordeeld.

Kennelijk is dit oordeel inmiddels gewijzigd en is de locatie A16-Oost nu wél geschikt om daar een bovenregionaal bedrijventerrein te ontwikkelen.
Dat houdt dan tevens in dat onderzocht zou moeten worden of het niet veel gunstiger zou zijn om het totale bedrijventerrein binnen de locatie A16-Oost te ontwikkelen. De strategische ligging hiervan is immers vergelijkbaar met die van het gebied ten westen van de HSL, evenals de ontsluitingsmogelijkheden. Deze locatie biedt, in tegenstelling tot Moerdijkse Hoek, zelfs de mogelijkheid van een rechtstreekse aansluiting op diep vaarwater, via een insteekhaven vanuit het Hollands Diep!

Ook dit feit pleit dus voor het starten van een geheel nieuwe m.e.r.-procedure, waarbij veel uitvoeriger bekeken wordt welke mogelijkheden er aan de oostzijde van de HSL zijn en welke aan de westzijde en wat van de verschillende ontwikkelingsmogelijkheden de milieuconsequenties zijn.

3. Andere mogelijke locaties
Het feit dat de huidige beoordeling van de geschiktheid van de locatie A16-Oost duidelijk afwijkt van de beoordeling die in 1996 is gemaakt, maakt het waarschijnlijk dat ook de beoordeling van andere in 1996 onderzochte locaties nu anders zal zijn, hetzij positiever, hetzij negatiever.
Bovendien was de beoordeling in 1996 globaal van karakter en had deze slechts betrekking op een beperkt aantal criteria.
Een beoordeling op milieuaspecten heeft daarbij NIET plaatsgevonden!

Bij de ontwikkeling van een bovenregionaal bedrijventerrein voor zware, milieuhinderlijke industrie zouden juist de milieuaspecten een hoofdrol moeten spelen in de locatiekeuze. Maar die milieuaspecten hebben nu net geen enkele rol gespeeld bij de locatiekeuze!

Dit alles pleit er voor om de diverse mogelijke locaties, zoals die in het onderzoek van 1996 zijn beschreven, alsnog onderling te vergelijken op hun milieu-effecten.

4. Een locatie-m.e.r.
Het aangewezen middel om verschillende locaties onderling op hun milieu-effecten te vergelijken is het uitvoeren van een locatie-m.e.r.!
De SBBM heeft reeds bij herhaling gewezen op het feit dat voor een ontwikkeling als deze, die grote gevolgen heeft voor de leefbaarheid in de omgeving, een locatie-m.e.r. behoort te worden uitgevoerd.

En de provincie vond dat zelf kennelijk vroeger ook, gezien tenminste hetgeen daarover in haar onderzoek uit 1996 is gesteld:
“Gelet op de uitkomst van dit onderzoek lijkt een locatie-MER in aanmerking te komen. Een locatie-MER wil zeggen dat alternatieve locaties worden beoordeeld op hun milieu-effecten, waarna een keuze voor een locatie wordt gemaakt.” (p.28).

In dit verband willen wij ook wijzen op het advies van de commissie voor de richtlijnen voor de m.e.r. naar aanleiding van de oorspronkelijke startnotitie, waarin als stap 3 wordt geadviseerd: ” nadere afweging van mogelijke locaties in West Brabant en daarbuiten voor het vestigen van grootschalige (specifieke) bedrijvigheid en glastuinbouw;”
Naar onze mening geeft de commissie met dit onderdeel van haar advies aan dat zij eigenlijk vindt dat gekozen had moeten worden voor een locatie-m.e.r.!

In haar advies op de eerste aanvulling scherpt de commissie dit in de paragraaf “Afweging van mogelijke locaties” nog eens aan:
“De commissie constateert dat de onderbouwing van de gemaakte beoordeling voor een belangrijk deel ontbreekt. Bovendien lijken de consequenties voor milieu en leefomgeving bij de beoordeling van ondergeschikt belang te zijn geweest. De nadruk ligt op ruimtelijke aspecten en op financiële en bestuurlijke haalbaarheid.”

De commissie adviseert dan ook “in het MER een betere onderbouwing te geven van de gemaakte beoordeling die heeft geleid tot de selectie van Moerdijkse Hoek. Vul de beoordeling aan met de ecologische (milieu) en sociaal-maatschappelijke (leefbaarheids)aspecten die nu niet bij de beoordeling zijn betrokken, met name:
– de invloed op natuur en milieu;
– de invloed op het woon- en leefmilieu en de mate waarin nieuwe overlast ontstaat c.q. bestaande overlast wordt verminderd of opgeheven;
– de kans op synergie, zowel in relatie tot bestaande als nieuwe bedrijvigheid;
– de beschikbare vrije (milieu)ruimte op de verschillende locaties;
– het beschikbare arbeidspotentieel.”

Kan het duidelijker?
De commissie zegt toch met zoveel woorden dat de afweging, zoals die in 1996 heeft plaatsgevonden onvoldoende is geweest en dat alsnog een afweging gemaakt dient te worden waarin de verschillende milieu-aspecten zijn betrokken.
Impliciet zegt de commissie toch: “Voer toch een locatie-m.e.r. uit”!

Conclusie
De SBBM is van mening dat:
– door het uitbreiden van het zoekgebied voor het bovenregionaal bedrijventerrein Moerdijkse Hoek met een substantieel deel van een andere mogelijke locatie voor een dergelijk terrein, te weten de locatie A16-Oost, er sprake is van een nieuw initiatief;
– dat voor een nieuw initiatief niet volstaan kan worden met een aanvulling op de startnotitie m.e.r. van het oorspronkelijke initiatief, maar dat een volledig nieuwe m.e.r.-procedure dient te worden gestart;
– dat, mede gezien het feit dat nu een andere locatie in de (milieu)afweging wordt betrokken, ook de overige in een eerder stadium globaal onderzochte locaties op hun milieu-aspecten dienen te worden beoordeeld;
– dat de nieuwe m.e.r-procedure die van een locatie-m.e.r. dient te zijn!

Artikel BN/De Stem: Moerdijkse Hoek ‘Procedure MER goed verlopen’.2004

Door Ron Lodewijks

DEN BOSCH — Het provinciebestuur heeft niet in strijd met de wet gebruik gemaakt van bevoegdheden voor milieu-onderzoek die thuis horen bij Provinciale Staten. De opvatting van de juridische dienst van de provincie dat dit wél zo is, wordt weerlegd door de landsadvocaat.

Die komt desgevraagd tot de conclusie dat de procedures voor onderzoek naar de milieu-effecten van de regionale plannen voor de lierinrichting van bet Brabantse buitengebied en van bet plan voor bet grootschalige West-Brabantse bedrijventerrein Moerdijkse Hoek correct zijn verlopen.
Het gevaar dat deze plannen op grond hiervan straks voor de rechter zullen sneuvelen. lijkt daarmee geweken. ,,U kunt het oordeel van de Raad van State met vertrouwen tegemoet zien‘, aldus de landsadvocaat die door het provinciebestuur was ingeschakeld om een einde te maken aan de sinds half oktober heersende verwarring over de zogeheten milieu-effectrapportages (MER).
Gedeputeerde Staten (CS) concluderen hieruit dat zij op basis van een delegatiebesluit uit 1993 nog steeds terecht bevoegd gezag zijn voor alle mer-procedures die de provincie volgt. ,,Als de Staten dat besluit nu zouden intrekken voor Moerdijkse Hoek, heeft dat gevolgen voor alle andere lopende procedures en ontstaan nieuwe juridische risico’s‘, verklaart milieugedeputeerde L. Verheijen de inzet van CS voor de Statenvergadering van 3 december waar de mer-procedure voor het grootschalige bedrijventerrein wordt afgetimmerd.
,,Wij hebben niet geblunderd‘, reageert Verheijen op deze kwalificatie van GroenLinks in het Brabants Dagblad van 10 november. Deze partij verwijt het provinciebestuur de zaak met Moerdijkse Hoek sinds september vorig jaar op zijn beloop te hebben gelaten. ‘l’oen verklaarde gedeputeerde 0. Hoes (Economische Zaken) dat Provinciale Staten over het milieu-onderzoek naar dit bedrijventerrein gaan. Deze verkeerde informatie gaf Hoes buiten de voor dit onderzoek verantwoordelijke Verheijen om.
Toen de projectleider Moerdijkse Hoek P. van Diessen (voormalig VVD-wethouder van Tilburg) september dit jaar beweerde dat Gedeputeerde Staten hierbij bevoegd gezag zijn, was hij volgens Verheijen wel goed geïnformeerd. De milieugedeputeerde zelf verklaarde een maand later evenwel dat het milieu-onderzoek over Moerdijkse Hoek een zaak van de Staten is.
Haastig advies Verheijen baseerde zich daarbij op een summier en haastig advies van de juridische dienst, die te elfder ure was ingeschakeld om te voldoen aan de eis tot onmiddellijke opheldering vanuit de Staten.
,,De landsadvocaat maakt nu duidelijk dat dit een inschattingsfout was. Deze hele gang van zaken verdient niet de schoonheidsprijs. De grootste fout hierbij is dat wij binnen de provinciale organisatie wisselvallig omgaan met mer-procedures. 1k kom met voorstellen om dat te verbeteren‘, erkent hij.
Maar ook de oppositie in de Staten tegen Moerdijkse Hoek treft volgens Verheijen blaam.,,Die probeert via juridische haarkloverijen haar politieke gelijk in haar standpunt tegen dit bedrijventerrein te halen en zand in de besluitvormingsmachine te strooien’. hekelt hij met name GroenLinks en SP.

Brabant Weekbericht 35: vaststellen MER Moerdijkse Hoek uitgesteld. 2004

PS schorten besluitvorming over concept-richtlijnen Milieu Effect rapport voor Bedrijventerrein Moerdijkse Hoek op.

In de vergadering van PS van 5 november 2004 is het voorstel behandeld inzake de vaststelling van de concept-richtlijnen Milieu Effect Rapport (‘MER’) voor het Bedrijventerrein Moerdijkse Hoek. Tijdens de vergadering zijn over en weer de standpunten uitgewisseld, en het college heeft nadere toelichting gegeven op de eerder aan PS toegezonden memorie van Antwoord over dit onderwerp. PS hebben echter besloten de definitieve besluitvorming over de vaststelling van de concept-richtlijnen aan te houden tot de volgende PS-vergadering op 3 december 2004.
Reden hiervan is dat PS op basis van de beschikbare informatie niet kunnen overzien wat de juridische gevolgen zijn van instemming met de gevoerde procedure en werkwijze in het onderhavige dossier tot 5 november 2004. Deze procedure is namelijk tot die datum onder verantwoordelijkheid van het college van GS gevoerd, terwijl achteraf is gebleken dat vanuit juridisch oogpunt bezien dit een verantwoordelijkheid van PS is. Het college van GS heeft een aanvullende Memorie van Antwoord aan PS toegezegd waarin het college duidelijkheid aan PS zal verschaffen over de juridische gevolgen van een besluit waarbij PS verantwoordelijkheid nemen voor de tot op heden gevoerde procedure in het dossier Moerdijkse Hoek. De verdere behandeling van dit onderwerp en besluitvorming over de vaststelling van de concept-richtlijnen van de MER voor het Bedrijventerrein Moerdijkse Hoek zal plaatsvinden in de PS-vergadering van 3 december 2004.

Artikel Brabant Weekbericht 33 Provincie Noord-Brabant. Milieueffectrapport.2004

De Commissie Moerdijkse Hoek heeft op 15 oktober jl. de conceptrichtlijnen voor het MER Moerdijkse Hoek besproken. De Commissie heeft enerzijds een inhoudelijke reactie op de conceptrichtlijnen gegeven; anderzijds het delegatiebesluit aan de orde gesteld op basis waarvan PS de bevoegdheid tot vaststelling van milieueffectrapporten aan GS hebben overgedragen.

De Commissie is van mening dat, gelet op de controlerende taak van PS in het kader van het dualisme, het beter is dat het bevoegd gezag bij PS ligt, en derhalve niet GS maar PS het MER dienen vast te stellen. Dit betekent dat ook de vaststelling van de conceptrichtlijnen een verantwoordelijkheid van PS is. Het voorstel tot vaststelling van de conceptrichtlijnen zal daarom op 5 november a.s. ter besluitvorming aan PS worden voorgelegd.

Brabant weekbericht 35: Commissie M.E.R. toetsingskader M.H.. 2003?

Hoe vernieuwend en duurzaam zal het bedrijventerrein Moerdijkse Hoek worden? Om die vraag goed te kunnen beantwoorden is een toetsingskader nodig. De Commissie voor de MilieuEffectRapportage had om een dergelijk kader gevraagd en GS hebben nu het Beoordelingskader Vernieuwend Duurzaam Moerdijkse Hoek in concept vastgesteld. Voorlopig ligt het accent op de daadwerkelijke ontwikkeling en het beheer meer aandacht krijgen. In hoofdzaak komt het er op neer dat het begrip ‘vernieuwend duurzaam’ meetbaar gemaakt wordt. Duidelijk is al wel dat de inhoudelijke kant (welke maatregelen) net zo belangrijk is als het proces (hoe komen we tot het resultaat).

SBBM: Mondelinge inspraakreactie bij vergadering Commissie Moerdijkse Hoek

Dames en Heren,

De provincie moet haar huiswerk overdoen!
Dat blijkt tenminste overduidelijk uit de richtlijnen voor de m.e.r. Vrijwel alles dat in de afgelopen 10 jaar is geproduceerd en is besloten moet opnieuw worden uitgezocht, onderbouwd of beargumenteerd. Je zou haast denken dat die richtlijnen niet door de provincie zelf zijn opgesteld. Maar dat zijn ze toch kennelijk echt.
Zorgelijk is echter dat deze richtlijnen dateren van september van dit jaar, maar dat de opdracht voor het uitvoeren van deze m.e.r. al in juli is verstrekt. En veel van hetgeen overgedaan moet worden was niet in de toenmalige eisen opgenomen. Is daarvoor een aanvullende opdracht verstrekt, want er moet nogal wat gedaan worden.

Zo moet op basis van actuele gegevens aangegeven worden welke ruimtebehoefte er bestaat en welk aanbod er is. Dus niet nog eens met andere woorden opschrijven wat Buck indertijd bedacht heeft, maar een nieuwe en nu realistische raming maken. Een recente herberekening voor de regio Rotterdam leverde een behoefteraming op die bijna 90% lager was dan die waarvan de overheid tot dan uitging. Iets dergelijks mogen we voor West Brabant ook verwachten.

Daarnaast moet nader aandacht worden besteed aan de mate waarin op bestaande bedrijventerreinen in West Brabant nog ruimte aanwezig is en/of ruimte gecreëerd kan worden door herstructurerings- en intensiveringsoperaties. Moerdijk 1 wordt daarbij uitdrukkelijk genoemd, maar ook Roosendaal en Bergen op Zoom.
De directeur van Moerdijk 1 heeft recent plannen in de openbaarheid gebracht waarin hij aangeeft gebruik te willen maken van de aanwezige strategische reserve van 300 ha. Dat is dus nog zonder intensivering. Wordt de bruto-nettoverhouding met 12% opgevoerd, hetgeen gezien de enorme ruimtereserveringen voor de infrastructuur probleemloos moet kunnen, dan levert dat nog eens ruim 300ha op!

Ook moet aangegeven worden welk concurrentievoordeel Moerdijkse Hoek, dat zich mede richt op bedrijven die niet regionaal gebonden zijn, heeft in vergelijking tot bv Rijnmond (2e Maasvlakte, Hoekse Waard, havengebied Dordrecht), in vergelijking tot de Zeeuwse zeehaven en industrieterreinen (Vlissingen, Terneuzen, Kreekrakpolder) en in vergelijking tot het Antwerpse havenbekken. Daarbij wordt geconstateerd, door de provincie zelf dus, dat deze vestigingslocaties dezelfde specifieke vestigingsvoordelen hebben die Moerdijkse Hoek heeft.
Men gelooft dus niet echt dat niet regionaal gebonden bedrijven voor Moerdijkse Hoek zullen kiezen.

Voorts dient de gemaakte beoordeling die geleid heeft tot de selectie van Moerdijkse Hoek te worden onderbouwd, waarbij o.m. ingegaan moet worden op de milieu voor- en nadelen van de opvang op Moerdijkse Hoek van bedrijven met bijzondere vestigingseisen (grootschalig, hoge milieucategorie, havenlocatie) van buiten de provincie Noord-Brabant, én op mogelijkheden van opvang elders.
Én er moet een vergelijking gemaakt worden met andere bedrijventerreinen.
Ook de keuze voor een concentratiestrategie moet nader worden onderbouwd.
Gemotiveerd moet worden waarom gekozen is voor één bedrijventerrein van 600 ha en niet voor meerdere terreinen van een beperktere omvang.
En er moet eindelijk een inventarisatie worden gemaakt van bestaande bedrijven elders in West Brabant die een (milieu)knelpunt vormen en tegelijkertijd voldoen aan de gestelde eisen voor bedrijfsvestiging op Moerdijkse Hoek. Daarbij dient niet alleen te worden aangegeven welke milieuwinst met verplaatsing van deze bedrijven bereikt wordt, maar ook welke bestuurlijke instrumenten gebruikt gaan worden om bestaande bedrijvigheid daadwerkelijk te verplaatsen naar Moerdijkse Hoek en hoe de daardoor vrijkomende ruimte milieuvriendelijker gaat worden ingevuld dan nu het geval is.
Dan moet opnieuw worden gekeken naar de raming van de beroepsbevolking én naar de relatie tussen arbeidsvraag en arbeidsaanbod.
En ook de verkeersstudie moet overgedaan worden. Er mag niet langer van uitgegaan worden dat verbreding van de A16 tot 2×4 rijstroken en de verdubbeling van de Moerdijkbrug tot de autonome ontwikkelingen behoren. Die ontwikkelingen worden dus veroorzaakt door Moerdijkse Hoek. En de minister betaalt niet. Dus kassa!
Maar het belangrijkste is wel dat er in principe een nulalternatief moet worden beschreven met als uitgangspunt het creëren van voldoende extra capaciteit voor bedrijven op andere locaties in West Brabant of daarbuiten. En dat dát nulalternatief in de beoordeling van de varianten moet worden meegenomen.
Een ieder met enig gevoel voor realiteitszin zal beseffen dat al die nadere onderzoeken, mits objectief uitgevoerd, onverbiddelijk 2 conclusies zullen opleveren:
1. Moerdijkse Hoek is overbodig en 2. Moerdijkse Hoek is onhaalbaar.
Kennelijk bezitten GS die realiteitszin niet. Want anders ga je geen bewonersbijeenkomst organiseren om, vooruitlopend op de resultaten van die m.e.r., te praten over ruimtelijke ontwerpen voor Moerdijkse Hoek. En dan ga je zeker geen modellen presenteren waarvan je weet dat die het niet zullen worden, maar die wel tot veel onrust onder de bewoners leiden.
Wij gaan er van uit dat Provinciale Staten die realiteitszin wél hebben en dat Provinciale Staten zullen besluiten dat het spelletje nu lang genoeg geduurd heeft. Dat er niet nòg meer gemeenschapsgeld in deze failliete inboedel mag worden gestoken, maar dat het tijd is om te stoppen met het prestigeproject Moerdijkse Hoek!

Artikel BN/De Stem: Fikse kritiek op plannen Moerdijk II

Door Paul Verlinden

Donderdag 12 augustus 2004 – UTRECHT/ZEVENBERGEN – Er is niet goed gekeken naar de bovenregionale alternatieven voor Moerdijkse Hoek. Ook is onduidelijk welke bedrijven uit West-Brabant in beeld zijn voor verplaatsing naar het industrieterrein, dat gepland is tussen Zevenbergen en dorp Moerdijk.Die kritische kanttekeningen plaatst de landelijke commissie voor de milieueffectrapportage (MER) bij de plannen van de provincie voor Moerdijkse Hoek. De provincie wil het bedrijventerrein in 2007 gaan aanleggen.
De gemeente Moerdijk is tegen zo’n Moerdijk II. Een aantal van de opmerkingen die de MER-commissie plaatst, heeft de gemeente ook al verwoord.
Een reactie op de opmerkingen van de commissie kon de gemeente gisteren niet geven. ‘Wij moeten nog kennisnemen van het stuk“, aldus een woordvoerder. De MER-commissie heeft een advies uitgebracht over de startnotitie van de provincie over Moerdijkse Hoek. In het advies schrijft de commissie dat niet duidelijk is welk concurrentievoordeel Moerdijk II heeft ten opzichte van de Rijnmond (2e Maasvlakte, Hoeksche Waard, haven Dordrecht), Zeeuwse havens en Antwerpen.
‘Specifieke vestigingsmogelijkheden die Moerdijkse Hoek heeft, hebben deze locaties ook,’ aldus de commissie. De commissie wijst dan ook op het risico van ‘significante leegstand’ op Moerdijk II, met name omdat de provincie er vanuit gaat dat veertig procent van de bedrijven van buiten de regio zal komen.
Het leegstandrisico kan volgens de commissie botsen met het duurzaamheidsprincipe dat de provincie op Moerdijkse Hoek los wil laten. Leegstand kan er immers toe leiden dat andere bedrijven worden toegelaten dan eigenlijk zijn gewenst.
De commissie adviseert Moerdijkse Hoek gefaseerd te ontwikkelen, waarbij de verschillende fases als afgeronde ‘bedrijventerreinen’ kunnen functioneren.
Verder zou volgens de MER-deskundigen nog eens goed aan moeten worden gegeven waar in West-Brabant nog ruimte is op andere bedrijventerreinen. Zoals ook beter in kaart moeten worden gebracht welke bedrijven uit de regio naar Moerdijkse Hoek kunnen verhuizen omdat ze op hun huidige locatie een (milieu-)knelpunt vormen.
Daarnaast vindt de commissie dat bij de keuze voor Moerdijkse Hoek onvoldoende is gekeken naar de invloed op natuur en (leef)milieu.
Het advies van de commissie is niet bindend maar is wel van invloed op de milieueffectrapportage die de provincie voor Moerdijkse Hoek aan het maken is. Die rapportage moet door de commissie worden getoetst en speelt weer een rol bij de uiteindelijke besluitvorming over Moerdijkse Hoek. Zo moeten Provinciale Staten hun oordeel nog vellen over de aanleg van het terrein.
Bij de provincie kon een woordvoerder gisteren niet veel meer melden dan dat het advies van de commissie ‘wordt meegenomen in het verdere traject voor Moerdijkse Hoek’. ‘Maar uiteraard gaan wij niet uit van leegstand.“