Tagarchief: ZLTO en glastuinbouw

Artikel BN/DeStem: ‘Port of Brabant’tast agrarische structuur Moerdijk aan’

door Kees den Exter

Zaterdag 16 juni 2007 – MOERDIJK – Het agrarisch belang is niet gediend bij de intentieverklaring ‘Port of Brabant’ die rijk, provincie en de gemeente Moerdijk gaan sluiten. Dat is de stelling van Adri Bossers, voorzitter van de afdeling Moerdijk van de zuidelijke land- en tuinbouw-organisatie ZLTO.

Vorige week donderdag, bij de inspraakavond voor stakeholders, de rechtstreeks betrokkenen, heeft Bossers dat geluid ook geventileerd in het gemeentehuis in Zevenbergen: “En dan zegt de wethouder (Ada Grootenboer, KdE) dat de rechtstreeks betrokken boeren zijn geïnformeerd. Dat geloof ik. Ik heb ook wel signalen dat dat netjes is gebeurd. Maar we moeten het ook hebben over de aantasting van de agrarische structuur binnen de gemeente Moerdijk. Dat reikt verder dan de rechtstreeks betrokken boeren.” Bossers wil het Moerdijkse college van burgemeester en wethouders ook nog wel een compliment maken: “De intentieverklaring gaat uit van een integrale aanpak. Niet alleen bedrijfsvestiging, maar ook een impuls voor de leefbaarheid. Goeie zaak. Maar dat integrale slaat niet op de landbouw. Daar moeten we het nog eens over hebben.” Ongeveer 200 hectare agrarische grond wordt in ‘Port of Brabant’ bestemd als bedrijfsterrein. Bossers: “Maar in feite praat je over het dubbele, misschien wel het drievoud, dat aan de landbouw wordt onttrokken. Neem de woningbouw ten noorden en ten zuiden van de kern Zevenbergen. Neem de natuurontwikkeling en de recreatie tussen Zevenbergen en Moerdijk.”

Bossers geeft ruiterlijk toe dat wie agrarische grond ‘moet’ verkopen een meer dan marktconforme prijs ontvangt: “Maar als je grond terug moet kopen voor de ontwikkeling van je bedrijf, dan kom je op een markt waar de vraag de prijs opdrijft. Dan bedrijf je landbouw op relatief dure grond, terwijl de grondprijs een belangrijke factor is in de kostprijs van je product.”

Er is nog een ander aspect: “Zo’n plan bestrijkt een lange reeks van jaren. Ben je wegbestemd, maar komt jouw grond pas over twintig jaar in aanmerking voor zijn nieuwe bestemming, dan zit je gewoon twintig jaar op slot. Dan kun je geen kant uit.”

Bossers weet wel een oplossing: “Verbreding is een belangrijk begrip in de landbouw. ‘Iets’ erbij gaan doen om het hoofd boven water te houden. Een mini-camping, windmolens, caravanstalling in vrijkomende agrarische gebouwen. Daar zou de gemeente Moerdijk wat ruimhartiger in kunnen worden. Pas dan praat je over een integraal plan.”

Adri Bossers, voorzitter van de afdeling Moerdijk van de ZLTO: De agrarische structuur van Moerdijk wordt aan­getast. Daar hoort compensatie voor te komen.
foto Cor Viveen/ het fotoburo

Inspraak startnotitie glastuinbouw. 14-11-99

Onderwerp: Planontwikkeling Moerdijkse Hoek
Glastuinbouw / Bedrijventerrein

Aan de leden van de Vaste Kamercommissie VROM

Zevenbergen, 19 november 1999

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant
Postbus 90151
5200 MC ‘s Hertogenbosch

o.v.v. m.e.r. glastuinbouw West-Brabant

Mevrouw, Mijnheer,

De Stichting Behoud Buitengebied Moerdijk maakt gebruik van de mogelijkheid om in te spreken op de Startnotitie projectvestiging Glastuinbouw West-Brabant van 12 oktober 1999 en merkt daarbij het volgende op:

1. Met betrekking tot het inzetten van het instrument m.e.r.

De Stichting is van mening dat de provincie Noord-Brabant het instrument m.e.r. oneigenlijk gebruikt. De centrale doelstelling van een milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Echter naar buiten wordt door de provincie Noord-Brabant de indruk gewekt dat een besluit over de mogelijke vestiging van glastuinbouw in de gemeente Moerdijk reeds een gepasseerd station is. Dit blijkt uit het doel van het voornemen, namelijk het mogelijk maken van een nieuwe projectvestiging in West-Brabant door een herziening van het streekplan waarbij bij Moerdijk de aanduiding “vestigingsgebied glastuinbouw‘ op de kaart komt. Daarmee lijkt Gedeputeerde Staten reeds een voorschot te hebben genomen op de uitkomst van de m.e.r. Van een afgewogen besluit met daarin een volwaardige plaats voor het milieubelang lijkt daarin dan nog weinig plaats. Ook naar buiten communiceert de provincie alsof Moerdijk reeds als locatie vastligt en alleen nog een aantal procedurele hobbels moet worden genomen. De Stichting tekent duidelijk bezwaar aan tegen het vooruitlopen op de uitkomst van een afweging met daarin een volwaardige plaats voor het milieubelang.

In de uitnodiging tot inspraak wordt melding gemaakt van het gegeven dat met het MER in de hand wordt gezocht naar de meest geschikte locaties en inrichting daarvan. In de Startnotitie zelf wordt voor het eerst melding gemaakt van het voornemen om de resultaten van het MER zodanig concreet te maken dat op bestemmingsplanniveau geen inrichtings-MER meer nodig is. Dit is naar de mening van de Stichting een hoogst onwenselijke koppeling. Op een inrichtings-MER komen andere insprekers af dan op een MER waarbij in eerste instantie locaties worden op hun milieuaspecten worden uitgewerkt. Ook worden bij een concrete inrichtings-MER andere, meer lokaalgekleurde argumenten aangevoerd. Insprekers die wachten op het moment dat zij hun argumenten kunnen inbrengen bij het starten van een inrichtings-MER krijgen deze kans niet indien de voorgestelde koppeling van inrichtings-MER aan deze locatie-MER gehandhaafd blijft. De Stichting verzoekt u dan ook deze koppeling los te laten. e motieven van tijdwinst en zeker van financiële verlichting voor deze koppeling zijn onvoldoende argumenten om af te zien van een zorgvuldige besluitvorming.

Grote problemen heeft de Stichting met het feit dat het voornemen zoals omschreven in de Startnotitie niet langer het voornemen blijkt te zijn. De Startnotie gaat uit van een 200 hectare glastuinbouw waarvoor ruimte in projectvestigingen moeten worden gevonden. De zoekruimte wordt 50% hoger gesteld, zodat de maximale omvang die in het kader van het MER worden uitgewerkt 300 ha is.
De Startnotitie gaat uit van een omvang in de polders Arenberg en Nassau binnen Moerdijkse Hoek van maximaal 300 hectare. De uitbreiding van het areaal aan glastuinbouw wordt voornamelijk ingegeven door de ruimtebehoefte die wordt geconstateerd onder tuinders in de provincie Noord-Brabant. Voor de overloop uit het Westland wordt uitgegaan van een 100 tot 150 hectare netto tot het jaar 2010. Gedeputeerde Staten hebben echter ingestemd met het onderzoeken van de mogelijkheid om 250 ha glastuinbouw uit het Westland bij Moerdijk op te vangen, dit op verzoek van het kabinet. De Stichting stelt dat dit standpunt van Gedeputeerde Staten niet conform de beschrijving van de voorgenomen activiteiten is, zoals in de Startnotitie is beschreven. De Stichting is van mening dat de Startnotitie op dit punt moet worden aangepast.

2. Met betrekking tot de locatieselectie

De discussie over het opvangen van de overloop uit het Westland in West-Brabant is voor de Stichting aanleiding te pleiten voor het opstellen van een interprovinciale MER. Immers steeds minder heeft het voornemen betrekking op de problemen van de Brabantse tuinders, maar gaat de problematiek van de opvang uit het Westland een grotere rol spelen. De selectie van de zoeklocaties dient dan ook niet tot enkel West-Brabant beperkt te blijven. De Stichting stelt voor een interprovinciale afweging te laten plaatsvinden in het kader van het MER en daarbij ondermeer een relatie te leggen met het MER-glastuinbouw voor de Hoeksche Waard.

De vier in de Startnotitie genoemde locaties zijn naar de mening van de Stichting in elk geval volstrekt onvoldoende. De omvang van het voornemen is zodanig dat hiervoor ministens drie locaties moeten geselecteerd. Het is de Stichting absoluut niet duidelijk waarom de in de Startnotie genoemde locaties in Etten-Leur, met 900 hectare waar nieuwvestiging mogelijk is, en in Breda, waarvan de Startnotie stelt dat ruime mogelijkheden aanwezig zijn, niet als zoeklocaties zijn opgevoerd. Hetzelfde geldt voor de in de Nota Glastuinbouw genoemde locaties in Oosterhout-Dongen en Made-Drimmelen. De Stichting pleit voor een uitbreiding van het zoekgebied, ook buiten West-Brabant, en een betere selectieprocedure voor het aanwijzen van de mee te nemen locaties.

De Startnotitie geeft de grote voordelen aan van projectvestigingen. Deze voordelen hebben betrekking op aspecten zoals energiebesparing, milieubelasting, waterbesparing, mobiliteitsreductie en landschappelijke inpassing. Een voorbeeld van een projectvestiging is de Plukmadese polder, waarover de Startnotie meldt dat deze binnenkort geen vestigingsruimte meer biedt. Gelet op de voordelen van concentratie wil de Stichting de verdere uitbreiding van de mogelijkheden voor glastuinbouw in de Plukmadese polder in het MER meegenomen zien. Veel van de concentratievoordelen zijn hier reeds gerealiseerd en kunnen wellicht verder worden benut. Voor het gebruik van restwarmte en CO2-benutting vanaf het bestaande industrieterrein Moerdijk kan dan een leidingsysteem worden aangelegd.

3. Met betrekking tot de uit te werken scenario’s

De Stichting wenst dat in het op te stellen MER-rapport ook wordt uitgegaan van een mogelijke situatie waarbij de projectvestiging enkel dient voor de ruimtebehoefte vanuit de Brabantse glastuinbouw en er geen ruimte wordt gegeven aan de opvang van de overloop uit het Westland.

Tevens wenst de stichting inzichtelijk gemaakt te zien welke mobiliteitsconsequenties een projectvestiging heeft boven op de autonome ontwikkelingen en de mogelijke vestiging van een bovenregionaal bedrijventerrein in West-Brabant. Expliciet moet aandacht worden besteed aan autonome ontwikkelingen op het gebied van woningbouw, bedrijventerreinen en mobiliteit in de zoeklocaties, onafhankelijk van het al of niet situeren van een projectvestiging glastuinbouw in West-Brabant.

Het hanteren van steeds weer verschillende aantallen hectares als uitkomst van de behoefteraming, het hanteren van de begrippen netto en bruto hectares maakt de uiteindelijke omvang qua hectares en de onderbouwing daarvan weinig inzichtelijk. Wij pleiten voor een eenduidige hantering van aantallen hectares voor projectvestiging glastuinbouw waarop het voornemen betrekking heeft.

4. Met betrekking tot de voorkeurslocatie

De startnotitie geeft samenvattend een projectvestiging in de polders Arenberg en Nassau binnen Moerdijkse Hoek aan als voorkeurslocatie. Geen van de andere vestigingsgebieden zou de ruimtelijke en milieuvoordelen bieden, zoals aangetroffen in de directe omgeving van het industriegebied Moerdijk. Deze stelling wordt verder geheel niet onderbouwd. Het feit dat de gemeente Moerdijk positief staat tegenover een mogelijke vestiging is het enige argument dat wordt opgevoerd. De Stichting is van mening dat de onderbouwing van de voorkeurslocatie niet voldoet en wenst hiervoor een betere economisch-financiële en ruimtelijk-milieutechnische onderbouwing te zien. Tevens willen wij inzicht hebben in de mate waarin het al of niet realiseren van een mogelijk bedrijventerrein in de Moerdijkse Hoek een rol speelt bij het aanwijzen van de voorkeurslocatie.

5. Met betrekking tot het meest milieuvriendelijke alternatief (MMA)

De wijze waarop het MMA gedefinieerd gaat worden is naar de mening van de Stichting te summier in de Startnotitie aangegeven. In de Startnotitie moet vooraf duidelijk worden gemaakt aan de hand van welke criteria en met welke weging het MMA wordt ingevuld.

6. Met betrekking tot uit te werken milieuaspecten

De Stichting wil dat in het MER speciale aandacht uitgaat naar de volgende aspecten:
– uitwerking landelijk beleid;
– gebiedsgerichte uitwerking en geïntegreerde aanpak;
– benutting restwarmte en CO2-uitstoot;
– landschapseffecten;
– verkeers- en vervoersaspecten.
Tevens moet inzicht worden verschaft in de (rest)-assimilatieverlichting op de omgeving, waaronder de effecten op bewoners en op de fauna.

Tot de uit te werken milieuaspecten behoort de beschrijving van het woon- en leefmilieu in de omliggende woongebieden. Met nadruk wenst de Stichting dit uitgebreid te zien tot de effecten voor het woon- en leefklimaat voor de bewoners in de zoeklocaties.

7. Algemene opmerkingen bij het voornemen

De Stichting wil haar verbazing uitspreken over het gemak waarmee in de Startnotie bij ruimtelijke afwegingen het primaat wordt neergelegd bij de glastuinbouw boven de reguliere grondgebonden landbouwactiviteiten. Uit een oogpunt van natuur en landschap, behoud open gebieden, milieukwaliteit en energiebesparing is hier nauwelijks aanleiding toe. Mocht in het verleden de gedachte leven dat er een groter economisch belang zou zijn gemoeid met de glastuinbouw, een recent onderzoek van het Landbouwkundig Economisch Instituut (LEI) spreekt dit tegen. Het LEI komt tot de conclusie dat de glastuinbouw de komende jaren met zodanig hoge milieu-investeringen wordt geconfronteerd dat hierdoor in 2010 drie op de tien bedrijven in financiële problemen komt te verkeren. Indien de gestelde milieudoelen strikt worden gehanteerd en gehandhaafd neemt de malaise in de glastuinbouw nog verder toe. De Stichting vraagt zich af in hoeverre de uitkomsten van dit LEI-onderzoek zijn meegenomen in de behoefteramingen waarvan de Startnotitie uitgaat.

8. Algemene opmerkingen bij de Startnotitie

Bij het opstellen van haar inspraakreactie heeft de Stichting een aantal malen moeten uitgaan van een interpretatie van de tekst. Door fouten in de gehanteerde zinsconstructies en het wegvallen van soms essentiële woorden in de tekst zijn wij genoodzaakt geweest de voorliggende tekst van de Startnotitie zelf op haar bedoeling te moeten interpreteren. Indien wij daarbij zijn uitgegaan van een onjuiste interpretatie behoudt de Stichting zich het recht daarop terug te komen.

Tenslotte zijn wij van mening dat de aanwijzing van de statencommissies RVL en MNL als bevoegd gezag in deze m.e.r. volgens de Stichting niet alleen ongebruikelijk is, maar ook hoogst ongelukkig. De democratische controle op het functioneren van statencommissies is gering en de betrokkenheid van de inwoners bij de werkzaamheden van deze commissies nihil. Tevens kan niet bij voorbaat een belangenverstrengeling worden uitgesloten. Wij willen dan ook aandringen op het aanwijzen van een meer adequaat bevoegd gezag.

Hoogachtend,

namens de Stichting Behoud Buitengebied Moerdijk,
W.C.A. Rijnart, voorzitter.

SBBM: Vakblad voor de Bloemisterij

Het Vakblad voor de Bloemisterij heeft ons zeven vragen voorgelegd en wil dit opnemen in hun uitgave. Uiteraard willen wij u deze vragen niet onthouden.

1. Kunt u iets vertellen over de Stichting Behoud Buitengebied Moerdijk?

De Stichting Behoud Buitengebied Moerdijk is opgericht door inwoners van de gemeente Moerdijk, die willen voorkomen dat de gemeente Moerdijk verandert van een landelijke in een stedelijke gemeente.

De Stichting stelt zich dan ook ten doel om in het buitengebied van de gemeente de huidige bestemmingen en functies te handhaven, teneinde het bestaande open en landelijke karakter van dit gebied te waarborgen.

De directe aanleiding tot de oprichting van de Stichting Behoud Buitengebied Moerdijk vormde de opstelling door gemeente en provincie van de Structuurvisie Plus (1999).
In die ontwikkelingsschets wordt het noordoostelijk deel van het buitengebied, gelegen in de oksel van de A16 en de A17, alsmede De Roode Vaart, aangewezen als locatie voor een Bovenregionaal Bedrijventerrein van tenminste 1000 ha.
Het gebied ten zuiden van dat bedrijventerrein is volgens die Structuurvisie geschikt voor de ontwikkeling van glastuinbouw (kassen) en agrarisch gebonden industrieën.

Uitvoering van deze plannen:
– zal er toe leiden dat het oostelijk deel van de gemeente zijn landelijke karakter verliest en in feite een verlengstuk gaat vormen van de Randstad;
– gaat ten koste van een groot areaal uitstekende landbouwgrond;
– zal de kwaliteit van het woon- en leefmileu in grote delen van de gemeente Moerdijk ernstige schade toebrengen.

2. In hoeverre moeten we uw stichting in verband brengen met verzet tegen de komst van glastuinbouw in Moerdijk?

Plannen die voorzien in de ontwikkeling van glastuinbouwbedrijven in het buitengebied van de gemeente Moerdijk (anders dan op de bestaande en als zodanig bestemde glastuinbouwlocaties) worden door de SBBM bestreden.

3. Waarom bent u tegen de komst van glastuinbouw in Moerdijk?

Het buitengebied van de gemeente Moerdijk ontleent zijn kwaliteit aan het landelijke en open karakter met haar grootschalige akkerbouwbedrijven.
Grote oppervlakten glas tasten die landelijkheid en die openheid en daarmee de landschappelijke kwaliteit van het buitengebied in ernstige mate aan.

Het buitengebied van de gemeente Moerdijk herbergt landbouwgronden van uitstekende kwaliteit (men zegt zelfs de beste landbouwgronden van Brabant), die bij uitstek geschikt zijn voor akkerbouw en andere volle grondsteelten. In dit gebied bevinden zich b.v. verschillende bedrijven waar met groot succes biologische landbouw wordt beoefend.
Glastuinbouw is niet grondgebonden en behoeft dus niet plaats te vinden op hoogwaardige landbouwgrond, maar kan net zo goed floreren op voor andere teelten ongeschikte gronden.

4. Op welke manier heeft uw stichting zich verzet tegen de komst van glastuinbouw?

Door het inspreken op en bezwaar maken tegen gemeentelijke, provinciale en Rijksplannen die gericht zijn op de ontwikkeling van (een) grootschalige glastuinbouwlocatie(s) in het buitengebied van de gemeente Moerdijk, al dan niet in combinatie met een bovenregionaal industrieterrein.
Voorbeelden:
1999: – Inspraak op en bezwaar tegen de Structuurvisie Plus van de gemeente Moerdijk;
– Brief aan vaste Kamercommissie VROM, n.a.v. plannen Pronk tot verplaatsing van
glastuinbouw vanuit het Westland naar gemeente Moerdijk;
– Reactie op Startnotitie M.E.R. Glastuinbouw van Provincie Brabant
2000: – Bezwaar tegen gemeentelijke nota “Visie op de Glastuinbouw”;
2001: – Bezwaar tegen 5e Nota Ruimtelijke Ordening;
– Bezwaar tegen Streekplan Brabant;
2002: – Bezwaar tegen vestiging nieuw glastuinbouwbedrijf in buitengebied Moerdijk.

5. Zou er een situatie zijn waardoor u niet tegen de komst van glastuinbouw zou zijn?

Er is een bestaande glastuinbouwlokatie in de gemeente Moerdijk, te weten de Spiepolder.
In dat gebied is nog ruimte voor enkele nieuwe bedrijven.
In het kader van haar bezwaar tegen de vestiging van een nieuw glastuinbouwbedrijf in het buitengebied, heeft de SBBM aangegeven dat gepoogd zou moeten worden bedoeld bedrijf op die locatie onder te brengen.

Wij kunnen ons echter geen enkele situatie voorstellen waarbij of waardoor wij niet tegen de vestiging van glastuinbouwbedrijven in het open buitengebied zullen zijn!

6. Wat heeft het verzet tot nu toe opgeleverd?

De gemeente Moerdijk is inmiddels tegen het ontwikkelen van nieuwe glastuinbouwlocaties binnen de gemeente; het ontwerp-bestemmingsplan voor het buitengebied laat alleen glastuinbouw toe op de bestaande locaties.

De provincie is inmiddels tot de conclusie gekomen dat, gezien de weerstand binnen de gemeente tegen een grootschalige glastuinbouwlocatie, het waarschijnlijk verstandig is niet langer te streven naar een combinatie bovenregionaal industrieterrein-glastuinbouwlocatie. Overigens is dat nog geen formeel beleidsstandpunt.

De provincie is voornemens nu al haar kaarten te zetten op de ontwikkeling van het bovenregionale industrieterrein Moerdijkse Hoek, hetgeen betekent dat de SBBM nu al haar energie zal gaan steken in het bestrijden daarvan.

7. Wat hoopt u uiteindelijk te bereiken?

Wat de SBBM hoopt te bereiken staat vermeld in de doelstelling van onze stichting:
Behoud van het bestaande waardevolle open en landelijk karakter van het buitengebied van de gemeente Moerdijk door handhaving van de bestaande functies en bestemmingen.

Het ontwerp-bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Moerdijk, waaraan de SBBM als lid van de Klankbordgroep een belangrijke bijdrage heeft geleverd, voorziet daar nu in.
De volgende stap is de provincie ervan te overtuigen dat afgezien moet worden van de plannen voor de ontwikkeling van het bovenregionale industrieterrein Moerdijkse Hoek en dat het streekplan in die zin moet worden aangepast.
Tenslotte zal Moerdijkse Hoek ook uit de 5e Nota Ruimtelijke Ordening moeten worden geschrapt, maar als de provincie eenmaal van Moerdijkse Hoek afziet is dat een formaliteit.

Zevenbergen, 14 augustus 2003

Artikel BN/De Stem: Glastuinbouw en ZLTO

Ingezonden brief in BN De Stem van donderdag 13 juli 2002

Glastuinbouw
Met verbazing heb ik kennisgenomen dat het hoofdbestuur van de ZLTO vast blijft houden aan een grootschalig glastuinbouwproject in de Moerdijkse Hoek. Wij als afdeling Moerdijk van de ZLTO ageren al jarenlang tegen grootschalige projecten in Moerdijkse Hoek, inclusief glastuinbouw. Dit glastuinbouwproject kan alleen bedoeld zijn voor glastuinders uit Zuid-Holland. Het stoort me dat het hoofdbestuur nooit contact heeft opgenomen met de ZLTO-afdeling Moerdijk. De arrogantie ten top om dit maar te blijven roepen, zonder overleg met de eigen leden in het gebied.
Het standpunt van onze afdeling is tot stand gekomen in overleg met onze glastuinders. Ons standpunt is al jaren bekend, zowel bij de gemeente als bij de provincie en dit zou ook doorgedrongen moeten zijn bij het hoofdbestuur van de ZLTO. Ik hoop dat het nieuwe afdelingsbestuur nogmaals het initiatief neemt om duidelijk te maken waarom afdeling Moerdijk van de ZLTO dit standpunt inneemt.
Zevenbergen, A. van Aart

Artikel BN/DeStem:De provincie heeft genoeg van de lichtvervuiling

Van onze verslaggever

Donderdag 13 juni 2002 – DEN BOSCH – Als het aan Gedeputeerde Staten ligt, gaat Brabant weer deel uitmaken van wat vroeger boven de rivieren spottend ‘Het donkere Zuiden’ genoemd werd.

Het college gaat namelijk wat doen aan de toenemende lichtvervuiling in de provincie. Te veel licht in de nacht zou schadelijk zijn voor mensen, dieren en planten. Brabant reageert daarmee op een kwestie, waarvoor een nationaal beleid nog ontbreekt.
Zelf zullen de provinciale bestuurders het goede voorbeeld geven door de buitenverlichting van de toren van het provinciehuis op een laag pitje te zetten. Daarnaast zullen in de buurt van natuurgebieden provinciale wegen ‘lichtarm’ gemaakt worden. Gedeputeerde Staten gaan zowel duister als verlicht Brabant in kaart brengen en willen dan regels gaan opstellen voor wat wel en niet mag in de naaste toekomst.
De provinciale bestuurders begeven zich hier mee op een, wetenschappelijk gezien, nog redelijk onontgonnen terrein. Wetenschappers zeggen dat lichtvervuiling tot stand komt door bovenmatige verlichting van wegen, monumenten, gebouwen en industrieparken. Kascomplexen behoren ook tot de boosdoeners. Door slecht geplaatste lampen gaat een flink deel van dat licht hemelwaarts en dat is dan weer storend voor mens en dier, volgens diezelfde wetenschappers. Mensen zouden slaapproblemen krijgen en nachtdieren zouden niet kunnen jagen, omdat de prooi hen van ver ziet aankomen.
De wetenschappers worden gesteund door volkssterrenwachters. Logisch, want die zien te weinig sterren. Het argument dat veel licht langs de wegen goed is voor het verkeer wordt door de cijfers weerlegd. Op goed verlichte wegen wordt door een misplaatst gevoel van veiligheid te hard en te roekeloos gereden.

Artikel BN/De Stem: Vergeet kassen op Moerdijkse Hoek

‘Vergeet kassen op Moerdijkse Hoek’
Van onze verslaggever

Dinsdag 28 mei 2002 – DEN BOSCH – In Provinciale Staten tekent zich een meerderheid af tégen een een grootschalig glastuinbouwcomplex in combinatie met uitbreiding van industrieterrein Moerdijk met Moerdijkse Hoek. GS moeten het Rijk duidelijk maken dat Moerdijk geen behoefte heeft aan het opvangen van glastuinbouw uit het Westland.

Dat bleek gisteren uit een eerste discussie in de statencommissies ruimtelijke ordening, economische zaken en land- en tuinbouw over het ‘Buck-rapport’. Daarin is onderzoek gedaan naar nut en noodzaak van uitbreiding van industrieterrein Moerdijk.
Volgens het rapport is Moerdijkse Hoek (600 ha ten zuidoosten van het bestaande industrieterrein Moerdijk) dringend nodig om te voorzien in de behoefte aan een nieuw grootschalig bedrijventerrein in West-Brabant. Het Rijk wil die uitbreiding graag koppelen aan een verplaatsing van de glastuinbouw uit het Westland.
Gisteren werd een eerste aanzet gegeven voor de discussie over nut en noodzaak van Moerdijkse Hoek. In augustus moet deze discussie volgens gedeputeerde E. Janse de Jonge (CDA, ruimtelijke ordening) worden afgerond met een definitief besluit waarna Provinciale Staten zich kunnen buigen over het programma van eisen voor de aanleg van het nieuw industrieterrein.
Het CDA in de staten worstelt nog met een groot aantal vragen over Moerdijkse Hoek, zo maakte statenlid M. van der Wielen duidelijk. Samen met VVD’er H. Spermon was Van der Wielen van mening dat er wel een oplossing moet komen voor het dreigend tekort aan industriegrond in West-Brabant.
Wethouder C. Punt, die namens de gemeente Moerdijk de statenleden de grote bezwaren van zijn gemeenteraad nog eens voorhield, wees nog maar eens op de uitbreidingsmogelijkheden die er zijn op industrieterrein Dintelmond. Bovendien, zo zei Punt, wordt de leefbaarheid van Moerdijk door de bestaande industrie op Moerdijk, de verbreding van de A16, door de zeventien industrieterreinen in de gemeente én de aanleg van een baggerslibdepot in de nabijheid al zó bedreigd, dat de gemeente er een uitbreiding met Moerdijkse Hoek niet bij kan hebben.

Leefbaarheid
Ook de Stichting Behoud Buitengebied Moerdijk legde de nadruk op een verdere aanslag op de leefbaarheid voor de bevolking.
Volgens woordvoerder Nijssen van de PvdA is uitbreiding met Moerdijkse Hoek voor haar fractie nog lang geen uitgemaakte zaak, gezien de nog beschikbare industriegrond op andere industrieterreinen (Majoppenveld, Borchwerf, agro-businesspark) in West-Brabant.
GroenLinks wees ook op alternatieven in Zeeland (Terneuzen), Antwerpen en Maasvlakte. Van der Kallen (Leefbaar Brabant) meende dat de provincie de categorieën 5 en 6 (de meest vervuilende industrieën) sowieso zou moeten vergeten.
Gedeputeerde Hoes (VVD, economische zaken) zei in zijn reactie onder meer dat de provincie binnen het bestuur van het Industrie- en Havenschap veel duidelijker zal aandringen op een betere benutting van het bestaande industrieterrein. Er is nog veel braakliggende ruimte.
Brabant, aldus de gedeputeerde, ontkomt daarmee echter niet aan de uitbreiding met Moerdijkse Hoek. De meeste ruimte daar is nodig voor de behoefte van het hier al gevestigde bedrijfsleven.

Artikel BN/De Stem: Winst voor milieu is onzeker

Van onze verslaggever

Donderdag 01 november 2001 – DEN BOSCH/MOERDIJK – Koppel een groot bedrijfsterrein met petrochemische industrie en een energiecentrale aan een groot kassencomplex en de milieuwinst lijkt binnen. Dát was de gedachte van de ministers van Landbouw en Milieu toen ze hun oog op Moerdijk lieten vallen voor een grootschalig kassencomplex. Maar dat was te kort door de bocht.

De koppeling van Shell Moerdijk aan het kassencomplex is aanzienlijk lastiger dan aanvankelijk gedacht. Een en ander blijkt uit een onderzoek door technisch bureau Arcadis. De studie is gemaakt in opdracht van de ministeries van landbouw, ruimtelijke ordening en de provincie Noord-Brabant.

Zo hebben tuinders niet alleen warmte (bijvoorbeeld restwarmte van Shell of de afvalverbrandingsinstallatie) nodig, maar ook CO_-gas. Shell produceert wel CO_, maar dat gas is te vervuild voor de tuinders. Het CO_-gas van Shell Moerdijk moet worden gezuiverd of er moet alsnog schoon CO_ helemaal uit Pernis worden gehaald.

Het plaatsen van windmolens voor duurzame energieopwekking leek ook een goed idee. Ruimte zat op Moerdijkse Hoek. Maar niet heus. Want rondom die nieuwe windmolens moeten veiligheidsstroken komen (voor het geval wieken afbreken of ijsaanslag rondvliegt). Het probleem zou op te lossen zijn door de windmolens op de bestaande dijken te zetten. Dat tast het landschap aan. Een alternatief is dat er een compleet ander type windmolen wordt onderzocht.

Gecombineerd watergebruik stuit ook op problemen. Zo gaat Arcadis er voor de zekerheid van uit dat de industriële bedrijven hun water niet kwijt kunnen aan de tuinders. Dat water is waarschijnlijk te vuil voor de kasplanten.

Ook de warmtelevering is nog problematisch omdat de kassen continu van warmte en warm water moeten worden voorzien. Het is nog onduidelijk of het huidige bedrijfsterrein Moerdijk voldoende kan leveren. Onduidelijk is ook wat er met het tuindersafval moet gebeuren. Het tuinderscomplex is te klein voor een aparte, milieuvriendelijke vergistinginstallatie.

Arcadis waarschuwt ervoor dat er allerlei garanties moeten komen voor de tuinders. Zo niet, dan kiezen die straks voor individuele (gas)ketels waardoor er van de milieuwinst weinig terecht komt. Moerdijk 2

– Genoeg ruimte voor combinatie kassen en bedrijven

Visie prov. uit verslag cie

Ter advisering : vervolgprocedure Locatiekeuze projectvestiging glastuinbouw west-Brabant
(in aanwezigheid van mw. Witmer, beleidsambtenaar en dhr. Engelse (wethouder en inspreker van de gemeente Zevenbergen)

Inspreker
Enkele elementen uit het betoog van dhr. Engelse. Nadrukkelijk wordt hier nog eens naar voren gebracht dat er geen unanimiteit is binnen het gemeentebestuur inzake de voorgestelde ontwikkeling. Het beeld van ‘ongebreidelde groei’ tast het draagvlak in belangrijke mate aan. De structuurvisiePlus moet bepalend zijn. Indat verband moet ook de positie van de Pelgrimsdijk worden bezien. Inspreker spreekt zijn instemming uit met de voorgenomen integrale herziening, omdat dan een juiste bepaling mogelijk wordt van de ster-kwalificatie.

Mevrouw Nijssen (PvdA):
De commissie heeft in het recente verleden een weloverwogen standpunt ingenomen over onder meer de Pelgrimsdijk. In dat verband is ook de toezegging van het provinciaal bestuur van belang inzake de integrale afweging. Wel ware het ‘go-no go’ moment ter advisering aan de commissie voor te leggen.

De heer Polderman (SP):
De integrale afweging wordt door de SP-fractie gesteund. Wel moet daarbij aan de bevolking een meer prominente plaats worden toegekend, teneinde het draagvlak op dat niveau goed in beeld te hebben. Dat draagvlak zou best wel eens minder dragend kunnen zijn dan waarvan het provinciaal bestuur uitgaat. De SP-fractie nodigt GS uit om dat draagvlak te peilen. Overigens zij opgemerkt dat de gemeente Zevenbergen bepaald geen NIMBY-gemeente is.

Mevrouw Schokker (GroenLinks) refereert aan de stellingname van de fractie in een eerdere vergadering. De fractie beoordeelt het positief dat nu een integrale aanpak wordt voorgestaan. Wel blijft de vraag hoe het nu met de locatie-mer verder moet.

De heer Gorter (D66) merkt op dat de status van de ster niet meer en niet minder is dan een zoeklocatie. In dat verband kan de integrale aanpak voor een goede inhoud zorgen.

Mevrouw Spermon (VVD):
Spreekster wijst er op dat het provinciaal bestuur initiatiefnemer is van de in gang gezette planontwikkelingen. De 150ha blijft voor de VVD-fractie uitgangspunt. Dat betekent dat de brief die aan de Minister is uitgegaan en waarin sprake is van ‘zeker 150 ha tbv Moerdijkse Hoek’ herziening behoeft. Voor het overige komt Steenbergen in beeld, mede in het licht van de opmerkingen die in dit verband door de heer Van der Kallen zijn gemaakt over het structurerend karakter van de factor water. De belangen van de bevolking worden door het provinciaal bestuur weldegelijk onderkend. In die zin is het ook goed dat nu de weg van een integrale aanpak wordt opgegaan. In dat verband zal ook de hardheid van de Pelgrimsdijk nader worden bepaald.

Mevrouw Bastiaansen (CDA):
De CDA-fractie wil ten behoeve van de planontwikkeling duidelijkheid over het eventueel reeds beschikbaar zijn van het antwoord van de Minister op de brief van GS met daarin vervat het advies van de Statencommissie. Verder zijn door het Rijk ICES-gelden toegezegd; hoe staat het daar mee? Vooruitlopend op de integrale herziening is de fractie van oordeel dat de locatie Steenbergen nu reeds voortvarend ontwikkeld kan worden.; dan wordt voorkomen dat de overloopdruk vanuit het Westland neerslaat op andere gebieden in Brabant (oa. doorgroeigebieden) en daarmee de mogelijkheden voor de eigen Brabantse dynamiek belemmert. De fractie acht verder het voornemen tot integrale planontwikkeling een goede zaak omdat daarmee de kwaliteitsslag (energiebenutting) is gediend. De fractie acht de Pelgrimsdijk een cultuurhistorisch waardevolle dijk die als vast gegeven geldt bij de toetsing van het inrichtingsplan. Bij dat inrichtingsplan moet verder rekening worden gehouden met tal van factoren zoals zuinig ruimtegebruik, duurzaam bouwen, architectuur, milieu, communicatieplan en rampenplan. Tot slot vraagt de CDA-fractie om de commissie te kennen in de wijze waarop de Moerdijkse Hoek in de Integrale Herziening van het streekplan komt. Mevrouw Nijssen (PvdA) bij interruptie: leiden de voorwaarden die het CDA koppelt aan het inrichtingsplan tot oprekking van het standpunt inzake het grenskarakter Pelgrimsdijk? (uitgangspunt of toetssteen). Mevrouw Bastiaansen antwoordt dat bij een integrale afweging tal van aspecten getoetst dienen te worden, zulks onder behoud van standpunten. Mevrouw Nijssen vraagt verder om het in kennis stellen van de commissie van het te nemen besluit om al dan niet te starten met de ontwikkelingen. Gedeputeerde de heer Van Geel geeft aan dat op 19 december overleg met de gemeente plaats heeft; verder komt de kwestie Moerdijkse Hoek aan de orde in de gecombineerde vergadering van EZA\RVL van 11 december. Verder geeft de heer Van Geel aan dat de door mevrouw Spermon aangehaalde passage uit de brief aan de minister, met daarin het woord ‘ zeker’ , geen politieke betekenis heeft en geplaatst moet worden in de context van de gedachten die er bij de Minister bestaan. Het ligt niet in de bedoeling van het college om hierin enige rek te suggereren. Naar mevrouw Bastiaansen antwoordt de heer Van Geel, dat de ICES gelden niet voor Steenbergen, wel voor Moerdijk bestemd zijn. Evenwel is er nog geen zekerheid omdat er nog geen antwoord van de Minister is.

De voorzitter de heer Van der Stoel, concludeert dat de commissie een positief advies uitbrengt, daarbij onder meer refererend aan eerder in de commissie ingenomen standpunten.